Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
13-10-2009
Zaaknummer
09-1116 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering omdat appellant met inachtneming van de voor hem geldende medische beperkingen in staat is te achten tot het verrichten van zijn maatgevende arbeid van godsdienstleraar. De door de rechtbank als deskundige geraadpleegde orthopedisch chirurg heeft zich volledig kunnen vinden in de vaststelling van de belastbaarheid van appellant, als neergelegd in de FML. Voorts heeft deze deskundige appellant vanuit medisch oogpunt volledig geschikt geacht voor het eigen werk. Geen aanleiding af te wijken van oordeel deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1116 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2009, 06/2127 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2009.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ouderdorp. Voor het Uwv is verschenen mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft zijn werkzaamheden als godsdienstleraar op 19 februari 2004 gestaakt in verband met knieklachten. Bij besluit van 5 juli 2006 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 2 maart 2006 gehandhaafd, waarbij hij heeft vastgesteld dat er voor appellant met ingang van 16 februari 2006 geen recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Dit besluit berust op het standpunt dat appellant met inachtneming van de voor hem geldende medische beperkingen in staat is te achten tot het verrichten van zijn maatgevende arbeid van godsdienstleraar.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 5 juli 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aldus beslist nadat ze tot het oordeel was gekomen dat het besluit van 5 juli 2006 op een toereikende medische grondslag berust en appellant in staat moet worden geacht zijn maatgevende arbeid per

16 februari 2006 volledig te kunnen verrichten. De rechtbank heeft daartoe doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de door haar als deskundige ingeschakelde orthopedisch chirurg T. de Jong, zoals neergelegd in zijn rapporten van 25 juni 2008 en 27 augustus 2008.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van de deskundige heeft gevolgd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De door de rechtbank als deskundige geraadpleegde orthopedisch chirurg De Jong heeft zich volledig kunnen vinden in de vaststelling van de belastbaarheid van appellant op 16 februari 2006, als neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 februari 2006. Voorts heeft de deskundige appellant op 16 februari 2006 vanuit medisch oogpunt volledig geschikt geacht voor het eigen werk van godsdienstleraar.

4.3. In zijn vaste rechtspraak ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere feiten en omstandigheden aanleiding bestaat tot afwijking van deze hoofdregel. De Raad is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. De Raad is van oordeel dat de deskundige een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de deskundige zijn conclusies heeft gebaseerd op eigen onderzoek en op de desgevraagd verkregen resultaten van in 2004 verricht röntgen- en MRI-onderzoek van de knieën en in 2006 verricht röntgenonderzoek van de lumbale wervelkolom. De Raad is van oordeel dat het rapport van de deskundige consistent is en zijn conclusies naar behoren zijn gemotiveerd. De Raad overweegt verder dat de deskundige op genoegzame wijze is ingegaan op de reactie van appellant op zijn rapportage van 25 juni 2008 en inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom hij zijn standpunt ten aanzien van de belastbaarheid van appellant in verband met de vastgestelde knieafwijkingen en rugklachten onverkort handhaaft. De stelling van appellant dat de gezondheidssituatie ten tijde van het onderzoek door de deskundige verbeterd was ten opzichte van de datum in geding omdat appellant in de periode vanaf de datum in geding tot april 2008 nog slechts sporadisch werkzaamheden heeft verricht en vanaf april 2008 in het geheel geen werkzaamheden meer heeft verricht waardoor een zeker herstel heeft kunnen plaatsvinden, faalt reeds wegens het ontbreken van een feitelijke grondslag. De Raad leidt uit de gedingstukken af dat appellant al vanaf eind maart 2005 en derhalve ruim voor de datum in geding niet meer heeft hervat in het eigen werk. De Raad overweegt verder dat het rapport van de deskundige noch de beschikbare overige medische gegevens aanknopingspunten bieden voor de aanwezigheid van schouderklachten op de hier in geding zijnde datum, zodat in de FML terecht geen rekening is gehouden met schouderbeperkingen. De Raad overweegt ten slotte dat de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van de orthopedisch chirurg W.P.C.A. Winia en de arts-assistent dr. D. Haverkamp van 27 januari 2009 betreffende een arthroscopische ingreep aan de linker knie op 26 januari 2009 geen medische aanknopingspunten bevat voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de deskundige ten aanzien van de belastbaarheid van appellant op de hier in geding zijnde datum. De Raad volgt dan ook evenals de rechtbank het oordeel van de deskundige.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) T.J. van der Torn.

TM