Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9985

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
13-10-2009
Zaaknummer
06-5337 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen proceskostenveroordeling: Het verzoek om veroordeling in de proceskosten is niet tegelijk met de intrekking van het hoger beroep. Niet-ontvankelijkverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5337 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 juli 2006, 05/6653 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk bijstand.

1.2. Bij besluit van 15 april 2005 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2005 opgeschort. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet dan wel onvoldoende de door het College gevraagde documenten heeft overgelegd, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daarbij is appellant in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen na dagtekening van het besluit dit verzuim te herstellen.

1.3. Bij besluit van 4 mei 2005 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2005 ingetrokken. Daartoe heeft het College overwogen dat appellant de in het besluit van 15 april 2005 gestelde termijn ongebruikt voorbij heeft laten gaan.

1.4. Bij besluit van 19 augustus 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 15 april 2005 en 4 mei 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2005 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3.1. Bij nader besluit van 4 augustus 2008 heeft het College het besluit van 19 augustus 2005 ingetrokken en de bezwaren tegen de besluiten van 15 april 2005 en 4 mei 2005 alsnog gegrond verklaard in die zin dat appellant recht heeft op bijstand over de periode van 1 april 2005 tot en met 21 april 2005. Daarbij is een vergoeding ad € 644,-- aan appellant toegekend in verband met de kosten die hij redelijkerwijs heeft moeten maken voor verleende rechtsbijstand in bezwaar.

3.2. Bij fax van 16 september 2008, ingekomen op de griffie van de Raad op 16 september 2008, waarvan de inhoud in een brief van 16 september 2008 is herhaald, heeft mr. Koot namens appellant het hoger beroep ingetrokken.

3.3. Bij fax van 17 september 2008, ingekomen op de griffie van de Raad op 17 september 2008, waarvan de inhoud in een brief van 17 september 2008 is herhaald, heeft mr. Koot de Raad verzocht het College te veroordelen in de proceskosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

4.2. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, tweede volzin, van de Awb wordt het verzoek om het bestuursorgaan in de kosten te veroordelen gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep en wordt het verzoek, indien niet aan dit vereiste is voldaan, niet-ontvankelijk verklaard.

4.3. De Raad stelt vast dat niet tegelijk met de intrekking van het hoger beroep een verzoek om veroordeling in de proceskosten is gedaan. Immers eerst bij fax van 17 september 2008 - welke op 17 september 2008 op de griffie van de Raad is ingekomen - is verzocht het College te veroordelen in de proceskosten, terwijl het hoger beroep reeds bij fax van 16 september 2008 - welke op 16 september 2008 op de griffie van de Raad is ingekomen - is ingetrokken.

4.4. Dit betekent dat het verzoek van 17 september 2008 om het College te veroordelen in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzoek om veroordeling in de proceskosten niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) W. Altenaar.

NK