Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9960

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
13-10-2009
Zaaknummer
08-6362 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende rekening gehouden met beperkingen van appellant. Zorgvuldig medisch onderzoek. Bij functieduiding uitgegaan van juist opleidingsniveau. Geschiktheid geduide functies. Wijziging in Schattingsbesluit hier niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6362 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 oktober 2008, 08/777 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.S.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2009. Namens appellant is mr. Jap-A-Joe verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, werkzaam als productiemedewerker, is op 17 mei 1999 als gevolg van lichamelijke en psychische klachten uitgevallen.

1.2. Ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving appellant laatstelijk een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.3. In het kader van een herbeoordeling in verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2004, 434) heeft verzekeringsarts R.N. van den Beukel appellant medisch onderzocht. Uit de rapportage van 14 november 2006 is naar voren gekomen dat appellant in verband met een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en mictieklachten beperkingen heeft. Dienaangaande is een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Hierop zijn beperkingen aangenomen op de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren), 2 (sociaal functioneren), 3 (aanpassing aan fysieke omgevingseisen), 4 (dynamische handelingen), 5 (statische houdingen) en 6 (werktijden).Vervolgens heeft arbeidsdeskundige H. Speerstra na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op minder dan 15%. Bij het duiden van de functies is uitgegaan van opleidingsniveau 2.

1.4. Bij besluit van 25 december 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 21 februari 2007 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van de arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

2.1. Appellant heeft tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt, omdat zijn gezondheidstoestand sinds zijn uitval in 1999 is verslechterd. Hij heeft gewezen op het feit dat hij onder behandeling is van een uroloog en een psychiater. Daarnaast heeft appellant aangegeven hartproblemen te hebben.

2.2. In de bezwaarfase is appellant door bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal onderzocht. Desgevraagd heeft hij informatie van de huisarts ontvangen. Blijkens de rapportage van 30 januari 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gezien de vastgestelde belastbaarheid te wijzigen.

2.3. Bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband heeft aanleiding gezien de in de primaire fase aan de schatting ten grondslag gelegde functies te wijzigen. Het verlies van verdiencapaciteit is door hem berekend op basis van de functies magazijn, expeditiemedewerker (SBC-code 111220), medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) en huishoudelijk medewerker (SBC-code 111331). Dit heeft blijkens het rapport van 4 februari 2008 echter niet geleid tot een wijziging van de arbeidsongeschiktheidsklasse. Bij besluit van 7 februari 2008 is de primaire beslissing van 25 december 2006 gehandhaafd.

3.1. In beroep is door appellant naar voren gebracht dat zijn beperkingen en stoornissen omvangrijker zijn dan uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar voren zijn gekomen en in de FML zijn neergelegd. Ter onderbouwing hiervan heeft betrokkene correspondentie van de polikliniek urologie van 17 februari 2006, een brief van cardioloog L. van Bogerijen van 13 december 2005, een verwijsbrief van de huisarts aan een neuroloog van 11 maart 2008, drie brieven van uroloog I. Hoekstra van 17 december 2002, 12 januari 2005 en 25 mei 2005, een (huisarts)brief van psycholoog N. Ozturk-Unlu (stichting Illuminatus) van 8 april 2008 en 17 april 2008, en een afsprakenkaart van stichting Illuminatus overgelegd.

3.2. Voor wat betreft de geduide functies heeft appellant gemeend dat deze niet geschikt zijn, omdat hierin veelvuldig handelingen moeten worden verricht als reiken, tillen of buigen.

3.3.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3.3.2. Ten aanzien van de medische grondslag van de bestreden beslissing heeft de rechtbank het medisch onderzoek zorgvuldig geacht. Daarnaast kan niet worden geoordeeld dat bij het opstellen van de FML in onvoldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellant, aldus de rechtbank.

3.3.3. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de bestreden beslissing is door de rechtbank geconcludeerd dat er in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen sprake is van ontoelaatbare overschrijdingen van de vastgestelde belastbaarheid van appellant.

4.1. In hoger beroep heeft appellant allereerst verwezen naar hetgeen eerder in de procedure naar voren is gebracht.

4.2. Volgens appellant heeft bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal ten onrechte geoordeeld dat de met brief van 8 april 2008 binnengekomen informatie van stichting Illuminatus niet is terug te leiden tot de datum in geding van 21 februari 2007. In dit verband wordt door appellant gewezen op het feit dat het opvragen van informatie bij stichting Illuminatus via de huisarts onvoldoende is. Daarbij had appellant op de hoogte moeten worden gebracht van het gegeven dat stichting Illuminatus geen (medische) informatie verschaft aan het Uwv. Hieruit volgt dat er sprake is van onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van de bestreden beslissing, aldus appellant.

4.3. Dat bij het duiden van de functies door bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband is uitgegaan van opleidingsniveau 2, is onjuist meent appellant. Hoewel hij de basisschool in Turkije heeft doorlopen, kan niet worden gezegd dat hij beschikt over eindbasisschoolniveau als het gaat om rekenen, lezen en schrijven in het Nederlands. Dat appellant een cursus Nederlands heeft gevolg doet hieraan niet af. Hij heeft zich immers niet voor niets steevast laten vergezellen door een tolk. Appellant is gelet op zijn leeftijd evenmin in staat deze vaardigheden alsnog binnen een termijn van 6 maanden eigen te maken.

4.4. Verder is de geduide functie van machinaal metaalbehandelaar (SBC-code 264121) ten onrechte aan de schatting ten grondslag gelegd, nu daarin VMBO-niveau is vereist.

4.5. Tot slot wijst appellant op het volgende. Bij besluit van 7 februari 2007 heeft het Uwv naar aanleiding van de aangepaste herbeoordelingregels voor personen geboren na 1 juli 1954 maar voor 2 juli 1959, opnieuw, ditmaal met ingang van 22 februari 2007, het recht op een uitkering ingetrokken. In plaats van een nieuw besluit en een nieuwe bezwaarprocedure had het Uwv de nieuwe regelgeving kunnen en moeten betrekken bij de onderhavige procedure, te meer nu het Uwv goed op de hoogte was van de nieuwe kabinetsplannen.

5. De Raad, constaterende dat het besluit van 7 februari 2007 formele rechtskracht heeft en dat in geding is of het Uwv met het besluit van 25 december 2006 op juiste gronden de WAO-uitkering op 21 februari 2007 heeft ingetrokken, oordeelt als volgt.

6.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat met de FML van 4 februari 2008 in onvoldoende mate rekening is gehouden met beperkingen van appellant. In dit verband onderschrijft de Raad rechtsoverweging 2.8 van de aangevallen uitspraak, waarin is toegelicht dat de zich in het dossier bevindende medische informatie, hetgeen in beroep nog is aangevuld met informatie van de cardioloog, de uroloog, de huisarts en de psycholoog, geen grond oplevert voor de conclusie dat de belastbaarheid van appellant onjuist is vastgesteld.

6.2.1. Met betrekking tot de door appellant opgeworpen vraag aangaande de onderzoeksplicht respectievelijk de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts overweegt de Raad het volgende. Nu zich in het dossier alsnog informatie bevindt van stichting Illuminatus ziet de Raad, behoudens de constatering dat de bezwaarverzekeringsarts met brief van 30 oktober 2007 heeft getracht middels de huisarts informatie te verkrijgen over de lichamelijke en geestelijke conditie van appellant op de datum in geding geen aanleiding nader in te gaan op vraag of het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op dit aspect aan het zorgvuldigheidsvereiste voldoet. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een zorgvuldig medisch onderzoek en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen.

6.2.2. Het feit dat bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal bij een schatting per latere datum als primaire verzekeringsarts betrokken is geweest speelt in dit geding geen rol, zodat de Raad zich hierover niet zal uitlaten.

7.1. Appellant kan niet worden gevolgd in het standpunt dat bij het duiden van de functies ten onrechte van opleidingsniveau 2 is uitgegaan. De Raad neemt op grond van de stukken als vaststaand aan dat appellant in Turkije basisonderwijs heeft gevolg en afgerond, dat hij in 1982 - 1983 alsmede in 1997 een cursus Nederlandse taal heeft gevolg, dat hij beschikt over rijbewijs B, en dat hij bijna 10 jaar (zonder uitval) in Nederland heeft gewerkt. Gelet daarop heeft bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband terecht aangenomen dat appellant over opleidingsniveau 2 beschikt. In het rapport van 22 december 2008 heeft hij aangegeven dat ten aanzien van de functies magazijn, expeditiemedewerker (SBC-code 111220) en huishoudelijk medewerker (SBC-code 111331) voltooid basisonderwijs wordt gevraagd. Voor de functie medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) geldt als eis dat enkele jaren basisonderwijs is gevolgd. Zoals reeds is vastgesteld, voldoet appellant hieraan. De Raad is dan ook met de bezwaararbeidsdeskundige van oordeel dat appellant in staat moet worden geacht voornoemde functies te vervullen.

7.2. In tegenstelling tot wat appellant meent, is de functie van machinaal metaalbehandelaar (SBC-code 264121) niet aan de schatting ten grondslag is gelegd. Voornoemde functie is vervallen met als reden dat hierin sprake is van wisseldiensten en dat VMBO-niveau is vereist, zo volgt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband van 4 februari 2008.

7.3. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de Raad geen aanwijzingen dat appellant niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen.

8. De Raad kan appellant tot slot niet volgen in het standpunt dat het Uwv de (niet in geding zijnde) beoordeling waarop vanaf 22 februari 2007 de aangepaste herbeoordelingregels van toepassing zijn bij de onderhavige procedure had moeten betrekken. Appellant doelt hiermee op het gewijzigde artikel 12a van het aangepaste Schattingsbesluit (Stb. 2007, 324), welke wijziging terugwerkt tot en met 22 februari 2007. Ingevolge deze wijziging wordt de arbeidsongeschiktheid van verzekerden die op voor of op 1 juli 1959 geboren zijn, welke groep ook wel wordt aangeduid als de groep van 45 tot 50-jarigen, beoordeeld volgens Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Besluit van 8 juli 2000, Stb. 2000, 307), zoals dat luidde tot 1 oktober 2004. Nu de datum in geding hier 21 februari 2007 is, is voornoemde wijziging naar het oordeel van de Raad niet van toepassing op het onderhavige geval, zodat het Uwv reeds hierom beide beoordelingen niet had kunnen samenvoegen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 april 2009 (LJN BH0312).

9. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.C.A Wit.

CVG