Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
08-633 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In mindering brengen van de arbeidsinkomsten over de laatste drie kwartalen van 2004 op de WAO-uitkering en terugvordering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv aantoonde dat appellant de laatste drie kwartalen van 2004 werkte als medewerker van het reisbureau. De schatting van de arbeidsinkomsten door het Uwv is aanvaardbaar. Het betoog van appellant dat hij geen arbeidsinkomsten kon genieten in de tijd dat hij in Egypte verbleef is niet afdoende, omdat tijdens een dienstverband aanspraak op betaald verlof wordt opgebouwd. Appellant liet na om sluitend bewijs bij te brengen van zijn verblijf in Egypte, nu identiteitsgegevens bij de door hem overgelegde afschriften van paspoortpagina’s ontbreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/633 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2007, 07/711 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant stelde mr. Chr. F. van der Vlis, advocaat te Amsterdam, hoger beroep in.

Het Uwv voerde verweer.

Het onderzoek ter zitting vond plaats op 28 augustus 2009, waar mr. Van der Vlis appellant bijstond en het Uwv zich liet vertegenwoordigen door R. Zaagsma. Met de instemming van Zaagsma legde appellant ter zitting diverse stukken over, waaronder de aantekening mondeling vonnis van de politierechter van 11 augustus 2009, een brief van de rechter-commissaris van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2009 en een memorandum van het arrondissementsparket Amsterdam aan de rechter-commissaris van 23 januari 2009.

II. OVERWEGINGEN

1. Het beroep richt zich tegen het besluit van 19 februari 2007 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij handhaaft het Uwv zijn besluiten om over de laatste drie kwartalen van 2004 de arbeidsinkomsten van appellant op zijn WAO-uitkering in mindering te brengen en € 7.990,02 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering terug te vorderen.

2. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

3. In hoger beroep herhaalt appellant als belangrijkste beroepsgrond dat hij in 2004 niet werkte en geen arbeidsinkomsten genoot. Verder stelt hij dat de door hem ter zitting overgelegde stukken aantonen dat de door het Uwv als bewijs gebruikte verslagen van afgeluisterde telefoongesprekken verkeerd zijn vertaald. Appellant betoogt voorts dat hij in de periode van 9 juli tot en met 20 augustus 2004 in Egypte verbleef. Hiermee beoogt appellant blijkbaar te stellen dat hij om die reden geen arbeidsinkomsten in Nederland kon verwerven. Tenslotte voert appellant aan dat het Uwv de schatting van zijn arbeidsinkomsten op € 150,00 per week onvoldoende onderbouwt.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.1. Op verzoek van appellant verwees de politierechter de strafzaak naar de rechter-commissaris voor verder onderzoek naar dezelfde tapgesprekken waar ook het Uwv zich voor het bewijs op beroept. Met het memorandum van 23 januari 2009 zond het Openbaar Ministerie aan de rechter-commissaris een deel van de tapgesprekken met als toelichting:

“Mevrouw H. is nauw betrokken geweest bij het onderzoek Potvis en verklaarde uitdrukkelijk dat het ondoenlijk is alle gesprekken waar verdachte bij betrokken zou zijn geweest aan te leveren. Verdachte was immers vaste bedienaar van de telefoon van het reisbureau en heeft daardoor vele niet relevante gesprekken gevoerd.”

4.1.2. De rechter-commissaris gaf op 4 maart 2009 opdracht om de gesprekken opnieuw te vertalen, maar kon, zoals blijkt uit haar brief van 3 juni 2009, deze vertalingen door een gebrekkige nummering niet goed herleiden tot de gesprekken. Bovendien ontbrak de naam van de tolk. Gezien de inmiddels verstreken tijdsduur, zag de rechter-commissaris ervan af een nieuwe poging te doen om een vertaling te verkrijgen.

4.1.3. Op 11 augustus 2009 verklaarde de politierechter het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in haar vervolging van appellant, omdat niet dan wel onvoldoende gevolg was gegeven aan de door de rechtbank gegeven opdracht om de in de strafzaak opgenomen telefoongesprekken te vertalen.

4.1.4. Anders dan appellant meent, maken de gegevens onder 4.1.1 tot en met 4.1.3 niet aannemelijk dat de verslagen van de tapgesprekken waarop het Uwv zich beroept, verkeerd zijn vertaald. De door appellant op de zitting ingebrachte gegevens maken alleen duidelijk dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard vanwege een onvolkomen, door de rechtbank opgedragen, tweede vertaling. Voor zover die tweede vertaling wel is uitgevoerd, ontkracht zij veeleer de, blote, bewering dat de (eerste) vertaling onjuist is, dan dat zij daarvoor steun biedt. De rechter-commissaris vermeldt in haar brief dat sommige, ten tweede male vertaalde, gesprekken lijken overeen te komen met de al aanwezige vertalingen. De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk, omdat de opdracht van de rechtbank niet (goed) was uitgevoerd en niet, omdat de vertalingen niet overeenstemden.

4.2.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv aantoonde dat appellant de laatste drie kwartalen van 2004 werkte als medewerker van het reisbureau [naam reisbureau]. Dit reisbureau is eigendom van zijn zwager.

4.2.2. Appellant zelf zegt dat hij in 2004 herhaaldelijk met zijn zwager overlegde over door appellant te organiseren reizen. Zijn zwager verklaarde tegenover opsporingsambtenaren van het Uwv dat appellant vanaf het voorjaar 2004 voor zijn reisbureau activiteiten ontplooide. Hij ziet dat niet als werkzaamheden, want appellant en de als getuige gehoorde [naam getuige] zouden runners zijn die tickets bij hem afnamen om deze met winst door te verkopen. [naam getuige] verklaarde dat appellant vanaf 2004 bij het reisbureau van zijn zwager werkte. Appellant was altijd aanwezig als [naam getuige] op het reisbureau was. Appellant deed de administratie en beantwoordde telefoontjes van klanten. Die verklaring vindt bevestiging in de verslagen van de over de periode van 4 september 2004 tot en met 5 oktober 2004 afgeluisterde telefoongesprekken. Appellant liet na zijn werkzaamheden aan het Uwv te melden.

4.3. Het Uwv schatte de arbeidsverdiensten van appellant op € 150,- per week. Dit wijkt nauwelijks af van het minimumloon voor een volledig dienstverband. De verklaring van [naam getuige] en de tapverslagen bieden voldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat appellant fulltime voor het reisbureau van zijn zwager werkte. Dat vindt steun in het memorandum van 23 januari 2009. De schatting van de arbeidsinkomsten door het Uwv is daarmee aanvaardbaar.

4.4. Het betoog van appellant dat hij geen arbeidsinkomsten kon genieten in de tijd dat hij in Egypte verbleef, is niet concludent, omdat tijdens een dienstverband aanspraak op betaald verlof wordt opgebouwd. Bovendien liet appellant na om sluitend bewijs bij te brengen van zijn verblijf in Egypte, nu identiteitsgegevens bij de door hem overgelegde afschriften van paspoortpagina’s ontbreken. Ter zitting verklaarde appellant dat hij deze identiteitsgegevens niet meer kan verstrekken, omdat het paspoort niet langer in zijn bezit is.

5. Het hoger beroep slaagt niet.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.E. van Rooij.

TM