Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9898

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
12-10-2009
Zaaknummer
08-5925 WSF
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bericht Terugbetalen 2008. Appellants bezwaar ten aanzien van het primaire besluit, zijn beroep tegen het bestreden besluit en zijn thans bij de Raad aanhangige hoger beroep worden geheel beheerst door het antwoord op de vraag of dat primaire besluit is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Zo’n besluit is het niet, omdat het niet is gericht op enig (zelfstandig) rechtsgevolg, immers, daarop was het eerdere besluit (Bericht prestatiebeurs) van 8 januari 2006 reeds gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5925 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 augustus 2008, 08/617 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is door [appellants vader] (appellants vader) hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 12 december 2008 heeft de Raad appellants hoger beroep (kennelijk) niet-ontvankelijk geacht wegens onverschoonbare overschrijding van de termijn van zes weken voor het instellen van hoger beroep. Tegen die uitspraak heeft appellant verzet aangetekend.

Bij uitspraak van 4 maart 2009 heeft de Raad appellants verzet gegrond verklaard onder overweging dat appellant het voordeel van de twijfel moet krijgen en er daarom vanuit moet worden gegaan dat hij wel tijdig hoger beroep heeft ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2009. Voor appellant was [appellants vader], vergezeld van zijn echtgenote, en voor de IB-Groep was mr. P.E. Merema aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij primair besluit (Bericht Terugbetalen 2008) van 6 januari 2008 heeft de IB-Groep aan appellant meegedeeld dat voor zijn lening (stand schuld op 1 januari 2008: € 5.152,82) de aflosfase is gestart op 1 januari 2008 en dat hij vanaf die datum € 45,41 per maand moet betalen.

2. Bij besluit van 4 maart 2008 heeft de IB-Groep appellants bezwaar ten aanzien van de in het primaire besluit vermelde schuld niet-ontvankelijk verklaard onder overweging dat, aangezien in eerdere besluiten (Berichten) reeds is beslist dat een rentedragende lening is toegekend dan wel de schuld is omgezet in een rentedragende lening, door dat primaire besluit geen verandering is opgetreden in de opgebouwde rentedragende lening, dat primaire besluit dan ook in zoverre niet is gericht op enig rechtsgevolg en er daarom wat de rentedragende lening betreft geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen een bezwaarschrift kan worden ingediend.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit van 4 maart 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

3.2. De rechtbank begrijpt hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd aldus dat appellant kennelijk alsnog een oordeel wenst over het besluit van de IB-Groep van 4 april 2006 waarbij de IB-Groep zijn bezwaar tegen het Bericht Prestatiebeurs 2006,4 (inhoudende de mededeling aan hem dat hij niet voldoet aan de norm voor de prestatiebeurs hoger onderwijs en daarom de prestatiebeurs hoger onderwijs voor de maanden oktober 2003 tot en met januari 2005 moet terugbetalen) ongegrond heeft verklaard, welk besluit in rechte is komen vast te staan, omdat daartegen geen rechtsmiddel is aangewend. Wet en rechtspraak bieden voor het alsnog geven van een oordeel daarover geen ruimte, aangezien hierover al in een eerder stadium onherroepelijk is beslist. De rechtbank kan zich voorts verenigen met het standpunt van de IB-Groep dat het primaire besluit niet op enig rechtsgevolg is gericht en ziet zich in haar oordeel gesteund door de uitspraak van de Raad van 15 juni 20077 (LJN BA8152).

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de inhoudelijke kant van het probleem, hij volgens de met de Nationale Ombudsman gemaakte afspraken een voor beroep vatbaar besluit zou krijgen, de rechtbank niet onafhankelijk van de IB-Groep is geweest en de IB-Groep na afloop van de zitting bij de rechtbank heeft toegegeven dat er bij haar fouten zijn gemaakt, maar daarbij heeft aangegeven dat die er niet meer toe doen.

5.1. De Raad kan zich geheel vinden in de aangevallen uitspraak en sluit zich volledig aan bij de overwegingen van de rechtbank met inbegrip van de verwijzing door de rechtbank naar de uitspraak van de Raad van 15 juni 2007 (LJN BA8152), in welke studiefinancieringszaak het evenzeer ging om een Bericht Terugbetalen dat geen wijziging met zich bracht in de omvang van de schuld die was vastgesteld bij een eerder besluit waartegen bezwaar was gemaakt dat evenwel ongegrond was verklaard, terwijl tegen dat besluit op bezwaar geen beroep was ingesteld.

5.2. Appellants bezwaar ten aanzien van het primaire besluit, zijn beroep tegen het bestreden besluit en zijn thans bij de Raad aanhangige hoger beroep worden geheel beheerst door het antwoord op de vraag of dat primaire besluit is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Zo’n besluit is het niet, omdat het niet is gericht op enig (zelfstandig) rechtsgevolg, immers, daarop was het eerdere besluit (Bericht prestatiebeurs) van 8 januari 2006 reeds gericht. Tegen dat eerdere als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb aan te merken en door de IB-Groep ook aangemerkte Bericht is door appellant bezwaar gemaakt dat door de IB-Groep ongegrond is verklaard. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat hij tegen dat besluit op bezwaar toen geen beroep heeft ingesteld, omdat hij door de IB-Groep in de beroepstermijn op het verkeerde been is gezet en op het moment waarop hij dat heeft onderkend (op de laatste dag van de termijn van zes weken) de griffie van de rechtbank net was gesloten en hij dus geen beroepschrift meer bij de rechtbank heeft kunnen inleveren. Wat van die verklaring ook zij, appellant had toen nog tijdig beroep tegen dat - van een correcte beroepsclausule voorziene - besluit op bezwaar kunnen instellen door middel van desnoods een éénregelig briefje (“Hierbij stel ik op nader aan te voeren gronden beroep in tegen het besluit op bezwaar van 4 april 2006.” of iets dergelijks) dat hij nog diezelfde dag ter post had kunnen bezorgen waarna de enveloppe met daarin dat briefje nog diezelfde dag zou zijn voorzien van een poststempel ten bewijze dat hij binnen de beroepstermijn beroep had ingesteld. Dat is niet gebeurd. Onbekendheid met wat in de Awb is geregeld over de termijn waarbinnen beroep moet worden ingesteld, kan appellant niet baten.

Voorts kan en mag het niet zo zijn dat, indien van de mogelijkheid om tegen een besluit een rechtsmiddel aan te wenden (bezwaar te maken of beroep in te stellen) om welke reden dan ook geen of onverschoonbaar te laat gebruik is gemaakt, een nieuw besluit van gelijke strekking of een vervolgbesluit van dat bestuursorgaan in bezwaar of beroep wel alsnog de mogelijkheid zou bieden om het in rechte onaantastbaar geworden eerdere besluit geheel of gedeeltelijk ongedaan gemaakt te krijgen.

5.3. Ter zitting van de Raad heeft appellant uitgebreid aandacht besteed aan de inhoud van de besluiten van 6 januari 2008, 4 april 2006 en 8 januari 2006 en betoogd dat de IB-Groep ten onrechte van het bestaan van een schuld uitgaat, maar het staat de Raad bij de huidige stand van zaken niet vrij daarop in te gaan en daarover een oordeel te geven.

6. Gelet op het in 5.1, 5.2 en 5.3 overwogene slaagt het hoger beroep van appellant niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) T.J. van der Torn.

TM