Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9688

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
09-793 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Deugdelijk medische grondslag. De omstandigheid dat appellant ruim na de datum in geding door het Uwv volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd, vormt geen aanleiding de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Geduide functies in medisch opzicht geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/793 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 januari 2009, 06/1777 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J.M. Snijders, advocaat te Boxtel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Snijders. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. London.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 24 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 3 oktober 2005 gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (WAO), die berekend was naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 december 2005 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant ongeschikt is voor het eigen werk, doch met inachtneming van zijn medische beperkingen, vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid, waarvan hem voorbeelden zijn voorgehouden.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv ten aanzien van appellant de juiste medische beperkingen tot het verrichten van arbeid in aanmerking heeft genomen. Wat betreft de lichamelijke klachten van appellant heeft de rechtbank voor haar oordeel gewezen op de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen, die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat door appellant geen medische informatie is overgelegd die de rechtbank doet twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde FML met betrekking tot de rugklachten. Wat betreft de psychische klachten van appellant heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan de door zenuwarts D.H.J. Boeykens op haar verzoek op 2 april 2008 uitgebrachte rapportage. De rechtbank acht de FML daarom ook juist voor zover deze appellants psychische klachten betreft. Het feit dat het Uwv appellant per 24 januari 2008 volledig arbeidsongeschikt heeft geacht, is geen reden te twijfelen aan het rapport van de geraadpleegde deskundige, reeds omdat het hier een andere datum betreft.

2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat mede in aanmerking genomen de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundige in voldoende mate is gemotiveerd waarom de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, ondanks de zogenaamde signaleringen, toch aan appellant kunnen worden voorgehouden.

3. Appellant heeft in hoger beroep volhard in zijn stelling, kort samengevat, dat zijn medische situatie met name gelet op zijn psychische beperkingen op de datum in geding dusdanig was dat hij volledig arbeidsongeschikt was en thans nog is.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Gelet op de inhoud van het hoger beroep stelt de Raad vast dat appellant in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijk medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt voornamelijk een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Appellant heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML en die voor zover het de psychische beperkingen betreft, door voornoemde deskundige is geaccordeerd.

4.4. De stelling van appellant in hoger beroep dat de rechtbank geen kennis heeft genomen van zijn brief van 18 november 2008 kan de Raad niet volgen. Met dat schrijven heeft appellant in beroep het besluit van 31 maart 2008 van het Uwv tot herziening van zijn WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met ingang van 24 januari 2008 overgelegd. Van deze volledige arbeidsongeschiktheid per 24 januari 2008 maakt de rechtbank in de aangevallen uitspraak in rechtsoverweging 12 expliciet melding.

4.5. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat appellant met ingang van 24 januari 2008 – dus ruim na de datum in geding – door het Uwv volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd, geen aanleiding vormt de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Uit de door het Uwv overgelegde stukken blijkt dat aan deze verhoging ten grondslag ligt een melding van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 26 januari 2006 vanwege psychosociale omstandigheden. In haar rapportage van 13 maart 2009 wijst de bezwaarverzekeringsarts er op dat uit de onderzoeken blijkt dat na de ziekmelding per 26 januari 2006 de rugklachten toenamen en dat ten tijde van de claimbeoordeling WAO er sprake was van psychische begeleiding. De medische beperkingen waren op 24 januari 2008 toegenomen ten opzichte van de beoordeling per 1 december 2005. De bezwaarverzekeringsarts concludeert dat er geen nieuwe medische feiten aan de orde zijn die aanleiding geven om per datum in geding 1 december 2005 zwaardere beperkingen aan te nemen. De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts hierin. Voor een nader onderzoek door een psychiater, zoals door appellant is verzocht, ziet de Raad dan ook geen aanleiding.

4.6. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 maart 2007 is ook naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de geselecteerde functies voor appellant.

4.7. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK