Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9685

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
09-1099 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juistheid van de medische beoordeling en vaststelling FML. De Raad acht de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit afdoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1099 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 januari 2009, 08/1759 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2009. Appellante is niet verschenen. Wel was namens appellante aanwezig mr. Samama. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster voor 16 uren per week. In verband met psychische klachten is haar met ingang van 6 februari 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 2 maart 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 25 april 2006 ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 januari 2006, in staat wordt geacht zonder relevant loonverlies arbeid in voor haar passend geachte functies werkzaamheden te verrichten. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 juni 2006 ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 11 september 2007, 06/5639, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van appellante tegen het besluit van 30 juni 2006 gegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van dat besluit onderschreven, maar het besluit op arbeidskundige gronden vernietigd. De rechtbank heeft het in strijd met de zorgvuldigheid geacht dat de door appellante tegen het besluit van 2 maart 2006 aangevoerde arbeidskundige gronden niet zijn voorgelegd aan een bezwaararbeidsdeskundige. Tevens heeft de rechtbank enkele vraagtekens gezet bij de geschiktheid van appellante voor de functie van steksteker en acht de rechtbank niet afdoende gemotiveerd waarom bij de functies productiemedewerker kartonnage en huishoudelijk medewerker op het punt tillen de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

1.4. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 10 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 maart 2006 wederom ongegrond verklaard. Dit besluit berust, uitgaande van de FML van 5 januari 2006, op de geschiktheid van appellante voor de functies medewerker tuinbouw/steksteker (Sbc-code 111010), inpakker handmatig/productiemedewerker kartonnage (Sbc-code 111190) en huishoudelijk medewerker (Sbc-code 111333).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat de juistheid van de medische beoordeling en de FML vaststaat. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante per 25 april 2006, de datum in geding, in staat is te achten de haar voorgehouden functies te vervullen. Daarbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de arbeidskundige rapporten van 5 oktober 2007, 6 maart 2008 en 17 juni 2008, overwogen, dat voor wat betreft de onder 1.4 bedoelde functie van steksteekster met betrekking tot de in die functie voorkomende taak van het 1500 maal per uur steksteken geen overschrijding van de belastbaarheid plaatsvindt, nu een dergelijke eis kan worden geacht binnen een normaal handelingstempo te vallen. Ook wat betreft het aspect tillen is geen sprake van een onaanvaardbare overschrijding van de belasting van appellante, nu volgens de genoemde rapporten tillen tot 10 kg slechts twee maal per werkdag van vier uur voorkomt – ten aanzien van appellante is in de FML op het item 4.16 (frequent zware lasten hanteren) vermeld: “beperkt….zelden 10 kg doorgaans 5 kg” –. De belasting met betrekking tot het aspect reiken in eerstgenoemde functie van steksteekster was volgens de rechtbank reeds voldoende gemotiveerd in het arbeidskundig rapport van 22 december 2006.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd – kort weergegeven – dat de motivering van de bezwaararbeidskundige omtrent de geschiktheid voor de geduide functies niet toereikend is en dat zij niet geschikt is de werkzaamheden in de geduide functies te verrichten.

4.1. De Raad stelt vast dat de medische grondslag van het bestreden besluit, zoals de rechtbank reeds heeft geconstateerd, niet in geding is en kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en maakt die overwegingen tot de zijne. Wat appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. In de diverse rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige zijn de bezwaren van appellante op goede gronden weerlegd met de door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven motivering van de geschiktheid van de functies waarop de schatting is gebaseerd. Daarbij wijst de Raad er nog op, dat ook ten aanzien van het item concentratie in de functie van steksteekster – op welk item appellante beperkt is – voldoende is onderbouwd dat geen overbelasting plaatsvindt, nu het bij steksteken gaat om een afgebakende en routinematig uit te voeren taak.

Daargelaten kan worden of met de vorengeciteerde term zelden in de FML iets anders is bedoeld dan met de (meestal gebruikte) term incidenteel, nu voor de Raad genoegzaam vaststaat dat er voor appellante in de geduide functies op de items 4.14 (tillen en dragen) en 4.16 niet gesproken kan worden van onaanvaardbare overbelasting. Ook overigens acht de Raad de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit afdoende toegelicht.

4.2. Naar aanleiding van hetgeen door appellante is aangevoerd dat het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 juni 2008 niet mede is ondertekend door een verzekeringsarts merkt de Raad nog op dat, wat er zij van die stelling van appellante, uit de door het Uwv in hoger beroep ingezonden notitie van de bezwaarverzekeringsarts van 13 juni 2008 blijkt dat de bezwaararbeidsdeskundige met deze arts overleg heeft gehad voordat hij zijn rapport van 17 juni 2008 heeft opgesteld. Overigens blijkt uit het rapport van 24 februari 2006 van de arbeidsdeskundige A. Kalsbeek dat deze overleg heeft gehad met T. den Daas, de verzekeringsarts die de FML heeft opgesteld.

4.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK