Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9681

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
08-5239 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. "Zijn arbeid". Voldoende medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5239 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 augustus 2008, 07/5036 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Appellante is, met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, voorheen werkzaam als telefoniste voor 28 uur per week, heeft zich per 10 maart 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens vermoeidheidsklachten en rugpijn. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante meerdere malen het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts D. Geesink. Tijdens het laatste spreekuur van 29 maart 2007 heeft de verzekeringsarts haar per 1 mei 2007 hersteld verklaard voor haar werk als telefoniste voor 18 uur per week. Bij besluit van 1 mei 2007 is aan appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 1 mei 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen het besluit van 1 mei 2007 gerichte bezwaar van appellante is na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer bij besluit van 25 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Daartoe heeft de rechtbank – kort weergegeven – overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat appellante uitgebreid is onderzocht door een reumatoloog, internist en MDL-arts waarbij de vastgestelde afwijkingen enige lichte beperkingen voor zwaar fysieke arbeid opleveren. Het lichamelijk onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts laat geen afwijkingen zien en de informatie van de chiropractor bevat geen gegevens waaruit een duidelijk afgenomen belastbaarheid van het bewegingsapparaat blijkt. Het eigen werk van appellante kent geen zwaar fysieke belasting en is derhalve voor haar geschikt te achten. Nu ook op het psychisch vlak, zoals uit onderzoek is gebleken, geen sprake is van tot ongeschiktheid leidende beperkingen, bestaat er geen aanleiding voor twijfel aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, aldus de rechtbank.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij nog immer last heeft van vermoeidheid en pijnen in de rug. Appellante heeft algemene informatie overgelegd over de aandoening thalassemie, die verband houdt met haar klachten. Ter nadere onderbouwing heeft appellante informatie van de behandelend sector overgelegd, waaronder een afsprakenkaart van de longarts en informatie van de fysiotherapeut, waaruit blijkt dat appellante sinds lange tijd onder behandeling is wegens persisterende pijnklachten.

3.2. De Raad overweegt als volgt.

3.3. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

3.4. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Daarbij tekent de Raad aan dat naast de bezwaarverzekeringsarts De Brouwer ook de verzekeringsarts Geesink appellante lichamelijk en psychisch heeft onderzocht en daarbij – in overeenstemming met de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts – heeft geconcludeerd dat sprake is van tendomyogene klachten waarmee appellante in staat moet worden geacht haar functie van telefoniste voor 18 uur per week te verrichten. Hetgeen in hoger beroep door appellante is aangevoerd kan, naar het oordeel van de Raad, niet tot een andersluidend oordeel leiden nu de overgelegde informatie geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens bevat.

3.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK