Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9679

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
08-4260 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Woonadres. Inlichtingenverplichting. Gezien water en energieverbruik niet feitelijk woonachtig op opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4260 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 11 juni 2008, 07/701 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.H. Jansen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Veen, werkzaam bij de gemeente Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 1 september 1997 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant niet op het door hem opgegeven adres [adres] te [woonplaats] woonachtig was, heeft het College een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De resultaten van dit onderzoek, neergelegd in een rapportage van 21 januari 2003, waren aanleiding voor het College de betaling van de bijstand van appellant met ingang van 9 januari 2003 stop te zetten en een nader onderzoek te laten verrichten door de Sociale Recherche Groningen. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek, die zijn neergelegd in een rapport van 29 november 2005, heeft het College bij besluit van 7 december 2005 de bijstand van appellant over de periode van 1 september 1997 tot en met 8 januari 2003 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 58.306,40 van hem teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 december 1997 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.

4.2. Het College heeft zijn standpunt dat appellant in de hier van belang zijnde periode niet woonachtig was op het door hem opgegeven woonadres gebaseerd op het hiervoor genoemde rapport van de Sociale Recherche Groningen van 29 november 2005. Uit dit rapport blijkt onder meer dat het waterverbruik op het opgegeven woonadres in de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 2002 nihil was en het energieverbruik in die periode laag. Appellant heeft hieromtrent verklaard dat hij vanwege gezondheids- problemen niet altijd verbleef op het adres [adres] te [woonplaats], dat hij gedurende de periode dat zijn gezondheid slecht was verbleef bij vrienden in Groningen en dat het College van deze situatie op de hoogte was.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit het vanwege het College ingestelde onderzoek genoegzaam is gebleken dat appellant in de betrokken periode feitelijk niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres. De Raad ziet in hetgeen appellant hieromtrent - overigens niet onderbouwd - heeft gesteld geen aanleiding voor een andersluidend oordeel, alleen al omdat de situatie die appellant schetst geen verklaring geeft voor het feit dat gedurende de gehele periode in geding het waterverbruik nihil was.

4.4. De Raad is voorts uit de gedingstukken niet gebleken dat appellant, zoals hij stelt, het College juiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn woonsituatie. Het College heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van het niet doorgeven van het juiste woon- of verblijfadres het recht op bijstand van appellant in de periode in geding niet is vast te stellen.

4.5. In het voorgaande ligt besloten dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode van 1 september 1997 tot en met 8 januari 2003. Daarmee is tevens voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand.

4.6. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de door hem ter zake van intrekking en terugvordering gehanteerde beleidsregels.

4.7. Appellant heeft aangevoerd dat het bedrag van de terugvordering behoort te worden gematigd omdat het College veel te lang heeft gewacht met het nemen van een (primair) besluit tot intrekking en terugvordering. Het College erkent dat de besluitvorming te lang heeft geduurd, maar betwist dat appellant daardoor is benadeeld. De Raad is van oordeel, mede tegen de achtergrond van de wettelijke regeling ter zake van verjaring van een vordering als hier aan de orde, dat het enkele tijdsverloop geen reden kan vormen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Niet gesteld of gebleken is dat appellant door het tijdsverloop in problemen is geraakt. Verder is het bedrag van de terugvordering door dit tijdsverloop niet hoger geworden dan het zou zijn geweest indien al in 2003 tot intrekking en terugvordering zou zijn besloten.

4.8. In hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregels had moeten afwijken.

4.9. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.

IJ