Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9658

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
09-461 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. De Raad stelt vast dat, gelet op de inhoud van het hoger beroepschrift, het hoger beroep is beperkt tot de door appellant opgeworpen arbeidskundige grieven. Voor de arbeidskundige beoordeling dient de Raad uit te gaan van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in de Verwoording belastbaarheid belanghebbende. Met betrekking tot de functie naaister-stikster meubelkleding (Fb-code 7964) heeft appellant aangevoerd dat deze functie voor hem niet geschikt is omdat blijkens de stukken er sprake is van werkzaamheden gedurende meer dan 8 uur per dag en tevens een toeslag in het loon is opgenomen voor prestatie. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat uit de stukken niet blijkt dat er een toeslag voor afwijkende arbeidstijden in het loon van deze functies is begrepen, zodat artikel 3, tweede lid, sub f, van het ten tijde in geding geldende Schattingsbesluit aan het selecteren van deze functie niet in de weg staat. Verder volgt de Raad de toelichting van Hogeveen in zijn bij het verweerschrift van het Uwv gevoegde rapportage van 23 april 2009, dat uit de Verwoording belastbaarheid belanghebbende niet blijkt van een urenbeperking voor appellant en dat ook na aftrek van de prestatiebeloning deze functie de eerste in de reeks van meest verlonende functies blijft, zodat deze prestatiebeloning geen effect heeft op het zogenoemde mediane loon. Naar het oordeel van de Raad is deze functie derhalve geschikt voor appellant. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv met het bestreden besluit een juiste uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/461 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2008, 07/8836 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 10 december 2001 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 27 december 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 10 maart 2003 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 maart 2004, 03/1578, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van appellant tegen het besluit van 10 maart 2003 ongegrond verklaard.

1.2. Bij uitspraak van 4 augustus 2006 (LJN AY6389) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 maart 2004 vernietigd, het beroep van appellant tegen het besluit van 10 maart 2003 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De Raad heeft – voor zover van belang – overwogen dat het besluit van 10 maart 2003 berustte op een adequate medische grondslag, maar dat in de verdiensten van een van de drie functies waarop de schatting is gebaseerd een toeslag voor wisselende diensten is begrepen. Gelet op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, sub f, van het ten tijde in geding geldende Schattingsbesluit had deze functie niet bij de schatting betrokken mogen worden. Hierdoor berust de schatting op onvoldoende, voor appellant geschikt geachte, functies.

1.3. Bij het ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2006 genomen besluit van 17 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv nadat opnieuw functies zijn geduid, ondermeer het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 december 2001 (wederom) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep (evenals in beroep) aangevoerd dat van de vijf ten behoeve van de schatting geselecteerde functies de functies naaister-stikster meubelkleding (Fb-code 7964), samensteller electrotechnische en/of electronische produkten of onderdelen (Fb-code 8539) en fotolaborant (Fb-code 9270) niet voor hem geschikt zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst vast dat, gelet op de inhoud van het hoger beroepschrift, het hoger beroep is beperkt tot de door appellant opgeworpen arbeidskundige grieven. Voor de arbeidskundige beoordeling dient de Raad uit te gaan van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in de Verwoording belastbaarheid belanghebbende.

4.2. Naar aanleiding van de onder 1.2 vermelde uitspraak van de Raad van 4 augustus 2006 heeft een nieuwe arbeidskundige beoordeling plaatsgevonden. Het bestreden besluit berust op de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen van 28 september 2006 en 27 november 2006. Blijkens deze rapportages heeft Hogeveen de schatting gebaseerd op de volgende functies:

a. naaister-stikster meubelbekleding (Fb-code 7964)

b. samensteller metaalproducten (Fb-code 8463)

c. samensteller electrotechnische en/of electronische producten of onderdelen (Fb-code 8539)

d. medewerker vul- en stikwerk (Fb-code 7965)

e. fotolaborant (Fb-code 9270).

4.3. Met betrekking tot de functie naaister-stikster meubelkleding (Fb-code 7964) heeft appellant aangevoerd dat deze functie voor hem niet geschikt is omdat blijkens de stukken er sprake is van werkzaamheden gedurende meer dan 8 uur per dag en tevens een toeslag in het loon is opgenomen voor prestatie. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat uit de stukken niet blijkt dat er een toeslag voor afwijkende arbeidstijden in het loon van deze functies is begrepen, zodat artikel 3, tweede lid, sub f, van het ten tijde in geding geldende Schattingsbesluit aan het selecteren van deze functie niet in de weg staat. Verder volgt de Raad de toelichting van Hogeveen in zijn bij het verweerschrift van het Uwv gevoegde rapportage van 23 april 2009, dat uit de Verwoording belastbaarheid belanghebbende niet blijkt van een urenbeperking voor appellant en dat ook na aftrek van de prestatiebeloning deze functie de eerste in de reeks van meest verlonende functies blijft, zodat deze prestatiebeloning geen effect heeft op het zogenoemde mediane loon. Naar het oordeel van de Raad is deze functie derhalve geschikt voor appellant.

4.4. Daargelaten of appellant geschikt is voor de functies samensteller electrotechnische en/of electronische producten of onderdelen (Fb-code 8539) en fotolaborant (Fb-code 9270), met de functie naaister-stikster meubelbekleding (Fb-code 7964) tezamen met de niet door appellant betwiste functies samensteller metaalproducten (Fb-code 8463) en medewerker vul- en stikwerk (Fb-code 7965) berust de schatting op een voldoende aantal voor appellant geschikte functies, met verdiensten die per einde wachttijd resulteren in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv met het bestreden besluit een juiste uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2006.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK