Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9650

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
08-490 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. Zoals neergelegd in de uitspraak van de Raad van 18 juli 2007, LJN BA9904, kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. De kwaliteit van het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts is – naar de Raad heeft geoordeeld – onvoldoende gewaarborgd om daarop een besluit tot vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid te kunnen baseren. Een voldoende basis kan alsnog worden verkregen door een beoordeling door een wel als verzekeringsarts geregistreerde arts. Een lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn, maar als regel zal dossieronderzoek niet volstaan. Gelet op deze jurisprudentie van de Raad en het in hoger beroep naar voren gebrachte en ter zitting herhaalde standpunt van het Uwv met betrekking tot de zorgvuldigheid van de schatting overweegt de Raad dat zowel het bestreden besluit als de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad acht echter voldoende aanknopingspunten aanwezig om, ingevolge art 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Uitgaande van de in het dossier aanwezige medische gegevens met betrekking tot de datum in geding ziet de Raad, anders dan appellante, geen aanleiding voor het gelasten van een deskundigenonderzoek. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, appellante in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de haar voorgehouden functies. Evenals de rechtbank acht de Raad de passendheid van de functies met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/490 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2007, 07/2017 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op 11 april 2008 een brief aan de Raad doen toekomen.

Vervolgens heeft het Uwv een verweerschrift, met bijlagen, ingediend waaronder een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 29 april 2007.

Namens appellante zijn bij brief van 17 juni 2008 nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft hierop bij brief van 27 juni 2008, met bijlage, gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2009. Appellante is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Tilburg, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijgaarden.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij besluit van 5 december 2006, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 25 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit), vastgesteld dat er voor appellante ingaande 23 november 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft in hetgeen appellante in beroep heeft gesteld geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de stelling van appellante dat zij ten gevolge van psychische en fibromyalgie klachten zwaarder beperkt is te achten dan is vastgesteld door het Uwv in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 november 2006. De rechtbank is evenmin gebleken dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek (in bezwaar) onzorgvuldig is geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam toegelicht waarom is afgezien van de aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting of van een nader medisch onderzoek. De rechtbank heeft tot slot als haar oordeel uitgesproken dat zij er niet van overtuigd is dat de belasting in de functie van receptioniste, Sbc-code 315150, binnen de voor appellante geldende belastbaarheid blijft, maar dat er voldoende functies resteren waarvan geen twijfel bestaat dat ze de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft daartoe – nogmaals – gesteld dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig moet worden geacht nu deze arts niet bij de hoorzitting aanwezig was. Verder heeft appellante, onder verwijzing naar de door haar in beroep overgelegde (medische) gegevens, gesteld dat haar psychische beperkingen zijn onderschat en dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft appellante in hoger beroep een adviesbrief arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van de GGD Zuid-Hollandse Eilanden van 2 april 2008 overgelegd. Tot slot is appellante van mening dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft benoemd.

4. Door het Uwv is in verweer aangegeven dat, gelet op de jurisprudentie van de Raad, de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling onzorgvuldig is geweest. Het aan deze onzorgvuldigheid ten grondslag liggende gebrek, te weten het verricht zijn van het primaire verzekeringsgeneeskundig onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts en een heroverweging in bezwaar op basis van dossierstudie, is naar de mening van het Uwv hersteld door het in hoger beroep overgelegde rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink van 29 april 2007.

5.1. Met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.

5.2. Zoals neergelegd in de uitspraak van de Raad van 18 juli 2007, LJN BA9904, kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. De kwaliteit van het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts is – naar de Raad heeft geoordeeld – onvoldoende gewaarborgd om daarop een besluit tot vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid te kunnen baseren. Een voldoende basis kan alsnog worden verkregen door een beoordeling door een wel als verzekeringsarts geregistreerde arts. Een lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn, maar als regel zal dossieronderzoek niet volstaan.

5.3. Gelet op deze jurisprudentie van de Raad en het in hoger beroep naar voren gebrachte en ter zitting herhaalde standpunt van het Uwv met betrekking tot de zorgvuldigheid van de schatting overweegt de Raad dat zowel het bestreden besluit als de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad acht echter voldoende aanknopingspunten aanwezig om, ingevolge art 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt hiertoe als volgt.

5.4. In hoger beroep is een rapport van bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink van 29 april 2007 overgelegd. Deze arts komt op basis van bevindingen uit dossierstudie, lichamelijk en psychisch onderzoek tot het oordeel geen aanleiding te zien om de door de arts Van Leeuwen tijdens het primaire onderzoek vastgestelde beperkingen, welke voorts zijn onderschreven door bezwaarverzekeringsarts Huijsmans en neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 november 2006, voor onjuist te houden. De Raad is met het Uwv van oordeel dat het gebrek dat kleefde aan de eerdere medische beoordeling door dit rapport, mede gelet op de inhoud en wijze van totstandkoming, geheeld is. Ter zitting is dit door appellante beaamd. De Raad is voorts van oordeel dat namens appellante onvoldoende medische gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat zij op de datum hier in geding, te weten 3 november 2006, zwaarder dan wel anders beperkt was dan door de artsen van het Uwv aangenomen. Voor wat betreft het zorgplan Bavo Europoort en de indicatiestelling van Ciz onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Ook uit de in hoger beroep overgelegde adviesbrief van de GGD Zuid-Hollandse Eilanden leidt de Raad niet af dat de beperkingen van appellante op de datum in geding onjuist zijn vastgesteld. In de adviesbrief worden de fysieke als psychische klachten van appellante omschreven en beoordeeld, maar daaruit blijkt niet van beperkingen die afwijken van die door het Uwv zijn vastgesteld, terwijl in het advies met name wordt ingegaan op de gezondheidsituatie van appellante in 2008, derhalve na de datum in geding.

5.5. Uitgaande van de in het dossier aanwezige medische gegevens met betrekking tot de datum in geding ziet de Raad, anders dan appellante, geen aanleiding voor het gelasten van een deskundigenonderzoek.

5.6. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, appellante in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de haar voorgehouden functies. Evenals de rechtbank acht de Raad de passendheid van de functies met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages voldoende toegelicht.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht, in totaal € 145,-, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bedee, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

(get.) H. Bedee.

(get.) A.C.A. Wit.

EK