Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9641

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
08-2718 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat de rechtbank onjuist gebruik heeft gemaakt van voeging van de zaken. Zorgvuldig medisch onderzoek. Juistheid van de vastgestelde medische beperkingen in de FML. De Raad is van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch en arbeidskundig opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. Vergelijking van het maatmaninkomen met de verdiensten in voor hem geselecteerde functies resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2718 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 11 april 2008, 07/878 en 07/879 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.B. Kuipers te Peize, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2009. Appellant is verschenen, met bijstand van J.B. Kuipers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was via de Jeugdwerkgarantiewet (JWG) met ingang van 28 maart 1995 werkzaam als algemeen medewerker op basis van het wettelijk minimumloon voor 19 uren per week, vanaf 3 mei 1995 voor 32 uren per week. In verband met hyperventilatie en spanningsklachten is hem met ingang van 22 juli 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, vanaf 4 december 2001 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarnaast is appellant van 1 januari 1999 tot 9 augustus 2000 werkzaam geweest in een tabakswinkel van zijn vader, aanvankelijk voor 20 uren per week als medewerker, met ingang van 1 januari 2000 als bedrijfsleider voor 32 uren per week.

1.2. In verband met een herbeoordeling in het kader van het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. In verband daarmee heeft zenuwarts C.J.F. Kemperman op verzoek van het Uwv bij appellant onderzoek verricht en van zijn bevindingen op 13 oktober 2005 verslag gedaan. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 maart 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 9 mei 2007 ingetrokken. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 29 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard, de WAO-uitkering per 9 mei 2007 ongewijzigd voortgezet, en de WAO-uitkering van appellant met ingang van 30 oktober 2007 ingetrokken omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen in staat wordt geacht zonder relevant loonverlies in gangbare arbeid werkzaamheden te verrichten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de beperkingen van appellant. Het Uwv heeft medische informatie ingewonnen bij de behandelend artsen en appellant laten onderzoeken door zenuwarts C.J.F. Kemperman. De rechtbank heeft er op gewezen dat appellant geen medische informatie heeft ingebracht, waaruit andere beperkingen naar voren komen dan door de bezwaarverzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn opgenomen. Dat appellant zichzelf meer arbeidsongeschikt acht en zich hierin miskend voelt, is naar het oordeel van de rechtbank niet een aspect waarmee in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling rekening kan worden gehouden.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht de werkzaamheden van appellant als JWG-er voor 32 uren per week als uitgangspunt voor de vaststelling van de maatman heeft genomen. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2005, 03/3617, volgt dat appellant gelet op zijn belastbaarheid niet in staat was tot arbeid als bedrijfsleider. Verder is de rechtbank uit het procesdossier van appellant niet gebleken van een arbeidsomvang van 40 uren per week. De “8 uur WAO” waarover appellant spreekt, lijkt mede gelet op de overgelegde bankafschriften te zien op de (gedeeltelijke) WAO-uitkering die hij eerder in verband met zijn arbeidsongeschiktheid uit zijn werk als JWG-er ontving.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad stelt allereerst vast dat gelet op de brief van appellant van 27 mei 2008 het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 30 oktober 2007.

3.2. De Raad deelt niet appellants grieven over de gevoegde behandeling door de rechtbank van zijn beroep tegen het bestreden besluit en het afzonderlijk door hem ingestelde beroep ter zake van de weigering van uitkering ingevolge de Ziektewet met ingang van 9 mei 2007. De gedingstukken laten zien dat de rechtbank de beide beroepen van appellant op dezelfde datum en hetzelfde tijdstip had geagendeerd. Nu beide beroepen aan elkaar verwante onderwerpen betroffen, gaf artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan de rechtbank de bevoegdheid ter zitting tot voeging over te gaan. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat de rechtbank een onjuist gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid. Niet is gebleken dat appellant door de voeging van de zaken in zijn belangen is geschaad.

3.3. Met betrekking tot de medische beoordeling heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe gronden naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals weergegeven in de FML. Gelet hierop volgt de Raad het Uwv in diens standpunt dat er geen reden is bij appellant alsnog een neuropsychologisch onderzoek te laten verrichten.

3.4. Met betrekking tot de arbeidskundige beoordeling is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv voor de vaststelling van de maatman terecht als uitgangspunt heeft genomen de werkzaamheden die appellant heeft verricht vóór zijn definitieve uitval in 1995 als algemeen medewerker via het JWG voor 32 uren per week. De Raad begrijpt de door appellant in beroep betrokken stelling aldus dat als uitgangspunt dient te gelden een maatman die werkzaamheden verrichtte voor 40 uren per week. Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken geen enkele aanknopingspunt voor de juistheid van die stelling. Wat er ook verstaan moet worden onder de “8 uur WAO”, die appellant zou hebben ontvangen naast zijn werkzaamheden in de tabakswinkel van zijn vader, dit kan gelet op de ter zake geldende regelgeving en jurisprudentie niet van invloed op de vaststelling van de maatman op algemeen medewerker via het JWG voor 32 uren per week dan wel op de omvang van de maatman zijn.

3.5. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch en arbeidskundig opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. Vergelijking van het maatmaninkomen met de verdiensten in voor hem geselecteerde functies resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

3.6. Uit hetgeen is overwogen onder 3.1 tot en met 3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 7 oktober 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK