Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9628

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
12-10-2009
Zaaknummer
08-476WAO+08-477WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening inkomsten met WAO-uitkering. Terugvordering. Appellant heeft ook in hoger beroep ter discussie gesteld dat het Uwv, evenals over de jaren 1997 en 1998, voor de vaststelling van het maatmaninkomen en de inkomsten uit arbeid bij de toepassing van de WAO op onjuiste wijze rekening heeft gehouden met bepaalde posten in de administratie. Over de wijze waarop deze posten bij de toepassing van de WAO in aanmerking dienen te worden genomen heeft de Raad op 16 mei 2006 (LJN AY0253) in een procedure over de jaren 1997 en 1998 uitspraak heeft gedaan. De Raad ziet in hetgeen appellant in de onderhavige procedure naar voren brengt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen over deze posten. Wat de pensioendotaties betreft verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 21 oktober 2005 (LJN AU5218) en 2 oktober 2008 (LJN BF6780).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/476 WAO + 08/477 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 december 2007, 04/1239 en 04/2119 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. van der Linden, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L. Boon, opvolgend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. London.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellant was werkzaam als accountant voor de besloten vennootschap [naam vennootschap] en wel in de hoedanigheid van directeur/grootaandeelhouder (dga) van (de beheers-B.V. van) die vennootschap, toen hij zich op 13 juli 1986 ziek meldde. Aan appellant is met ingang van 13 juli 1987 onder andere een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant heeft zijn werkzaamheden voor [naam vennootschap] steeds gedeeltelijk voortgezet.

1.3. Arbeidskundig onderzoek in verband met inkomsten uit arbeid heeft geleid tot de volgende besluitvorming.

- Bij besluit I van 4 augustus 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering over 1999 wordt uitbetaald naar een (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

- Bij besluit II van 4 augustus 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 2000 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

- Bij besluit III van 4 augustus 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering over 2001 wordt uitbetaald naar een (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

- Bij besluit van 26 augustus 2003 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 37.838,47 (bruto inclusief overhevelingstoeslag) aan over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 8 april 2004 (hierna: het bestreden besluit 1) heeft het Uwv de tegen de onder 1.3 vermelde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2003 ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 3 maart 2004 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 14.768,67 (bruto) aan over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering teruggevorderd.

1.6. Bij besluit van 10 juni 2004 (hierna: het bestreden besluit 2) heeft het Uwv de tegen de onder 1.5 vermelde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang – het volgende overwogen. Uit de gedingstukken blijkt dat het Uwv bij het berekenen van het maatmaninkomen en de inkomsten uit arbeid van appellant dezelfde uitgangspunten heeft gehanteerd als bij de berekening over de jaren 1997 en 1998. Deze uitgangspunten zijn blijkens de eerder tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 16 mei 2006, 04/1740 (LJN AY0253), juist bevonden. Hantering daarvan leidt ten aanzien van de vaststelling van de mate van appellants fictieve onderscheidenlijk reële arbeidsongeschiktheid over de thans aan de orde zijnde jaren tot de conclusie dat die vaststellingen niet te laag zijn uitgevallen. Al hetgeen appellant over de genoemde uitgangspunten aanvoert, komt er in wezen op neer dat appellant en zijn besloten vennootschappen vereenzelvigd zouden moeten worden in die zin dat kosten en baten van de vennootschappen in de door appellant gewenste gevallen beschouwd zouden moeten worden als onkosten en loon van appellant zelf. De rechtbank heeft er in dit verband aan herinnerd dat een dga moet worden gehouden aan (de consequenties van) zijn formele werknemersstatus zoals die in de jaarstukken en ten overstaan aan de fiscus zijn gepresenteerd. De rechtbank is appellant voorts niet gevolgd in zijn beroepsgrond dat het Uwv zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2000 onjuist heeft vastgesteld. De door het Uwv over de jaren 1997 tot en met 1999 in aanmerking genomen inkomsten leveren naar het oordeel van de rechtbank een voldoende representatief beeld op om als uitgangspunt te dienen voor de schatting van appellant na het verstrijken van de in artikel 44, tweede lid, van de WAO genoemde periode van drie jaar. Daarom heeft het Uwv op goede gronden de gemiddelde hoogte van appellants inkomsten berekend over de gehele periode van drie jaar. De terugvorderingsbesluiten, waartegen geen zelfstandige beroepsgronden waren gericht, heeft de rechtbank evenmin rechtens onjuist geacht.

3. Appellant heeft de juistheid van dit oordeel van de rechtbank betwist. Appellant voert daartoe, samengevat, aan dat de rechtbank bij haar beoordeling ten onrechte van dezelfde, verkeerde, uitgangspunten is uitgegaan als de Raad in zijn uitspraak van 16 mei 2006. Volgens appellant heeft de rechtbank te gemakkelijk geleund op die uitspraak. In het verlengde hiervan heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat ook de terugvorderingsbesluiten de toetsing in rechte kunnen doorstaan.

4. Het Uwv heeft in verweer naar voren gebracht dat het bij de berekening van appellants maatmaninkomen dezelfde uitgangspunten heeft gehanteerd als bij de berekening over de jaren 1997 en 1998. Deze uitgangspunten zijn door de Raad blijkens zijn uitspraak van 16 mei 2006 juist geacht, zodat geen aanleiding bestaat terug te komen van het eerder ingenomen standpunt. Het Uwv verzoekt de Raad de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. Oordeel van de Raad.

5.1. De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Appellant heeft ook in hoger beroep ter discussie gesteld dat het Uwv, evenals over de jaren 1997 en 1998, voor de vaststelling van het maatmaninkomen en de inkomsten uit arbeid bij de toepassing van de WAO op onjuiste wijze rekening heeft gehouden met bepaalde posten in de administratie van [naam vennootschap] en [naam B.V.] Deze posten betreffen in het bijzonder de inverdienregeling, de reserve-afkoop, de IGP-voorziening en de pensioenpremies/donaties. Met de rechtbank moet de Raad vaststellen dat over de wijze waarop deze posten bij de toepassing van de WAO in aanmerking dienen te worden genomen de Raad op 16 mei 2006 (04/1740 WAO) in een procedure over de jaren 1997 en 1998 uitspraak heeft gedaan. De Raad ziet in hetgeen appellant in de onderhavige procedure naar voren brengt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen over deze posten. De Raad voegt daaraan toe dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn grief dat het Uwv ten onrechte alle pensioendotaties als inkomsten uit arbeid in aanmerking heeft genomen. De Raad wijst op zijn uitspraak van 2 oktober 2008, LJN BF6780, in welke uitspraak de Raad heeft overwogen dat een dga (grotendeels) zelf kan bepalen wat zijn salaris is en welk gedeelte hij als pensioenvoorziening wil reserveren. Een dergelijke beslissing tot een bepaalde besteding van het inkomen uit arbeid wijzigt echter niet het karakter van dit inkomen. De Raad wijst tevens op zijn uitspraak 21 oktober 2005, LJN AU5218 (gepubliceerd in USZ 2005/402), in welke uitspraak de Raad als zijn oordeel te kennen heeft gegeven dat de in geding zijnde pensioendotaties konden worden aangemerkt als een direct voordeel verbonden aan appellants werkzaamheden en zijn positie als dga. De dotaties brachten immers mede de ‘loonwaarde’ tot uitdrukking die appellant voor zijn bedrijf heeft en zijn daarmee in beginsel te kwalificeren als ‘inkomsten uit arbeid’ als bedoeld in de van toepassing zijnde anticumulatiebepalingen.

5.2. De Raad stelt vast dat tegen de besluiten tot terugvordering ook in hoger beroep geen zelfstandige grieven zijn aangevoerd.

5.3. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bedee, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

(get.) H. Bedee.

(get.) A.C.A. Wit.

GdJ