Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9609

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
05-6566 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad volgt het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige. De Raad is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat in dit geval om van het hiervoor vermelde uitgangspunt af te wijken. De deskundige heeft zich gebaseerd op dossierstudie en eigen onderzoek van appellante en heeft daarnaast aanvullend psychologisch onderzoek laten verrichten. De deskundige heeft op inzichtelijke wijze gerapporteerd over zijn bevindingen en zijn conclusies vloeien daar op logische wijze uit voort. Voorts heeft de deskundige de door Eken in haar rapportage van 10 oktober 2008 gestelde vragen onderbouwd beantwoord en zijn standpunt gemotiveerd gehandhaafd. De Raad deelt dan ook niet het standpunt van Eken, zoals uiteengezet in haar rapportage van 12 maart 2009, dat er nog zaken onduidelijk zouden zijn. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit een voldoende medische grondslag ontbeert en om deze reden niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak komen daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen het bestreden besluit dient gegrond te worden verklaard. Uit de conclusies van de deskundige, zoals in 3.2 en 3.3 is verwoord, leidt de Raad af dat de deskundige appellante vanuit psychiatrisch perspectief per de datum in geding niet inzetbaar acht voor het eigen werk dan wel andere gangbare arbeid. Gelet hierop kan het Uwv met inachtneming van deze uitspraak geen ander besluit nemen dan het besluit van 23 april 2004 te herroepen en de WAO-uitkering van appellante per 22 juni 2004 ongewijzigd voort te zetten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarom ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien. Mogelijke overschrijding redelijke termijn. Heropening onderzoek. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6566 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 september 2005, 04/2104 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 25 juni 2007 is ter ondersteuning van het hoger beroep een rapportage van psychiater M.J. Hoogschagen van 18 juni 2007 ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Met toestemming van de Raad heeft psychiater W.M.J. Hassing op verzoek van het Uwv bij appellante een psychiatrisch onderzoek verricht en op 11 november 2007 rapport uitgebracht.

De Raad heeft aanleiding gezien prof. dr. D.A.J.P. Denys, psychiater, te benoemen als deskundige teneinde een onderzoek in te stellen naar de psychische gezondheidstoestand van appellante. Op 29 augustus 2008 heeft de deskundige van zijn bevindingen rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft in reactie op het deskundigenrapport een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts P. Eken van 10 oktober 2008 in het geding gebracht. Bij brief van 25 november 2008 heeft de deskundige op deze rapportage gereageerd. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Eken op deze brief gereageerd in haar rapportage van 12 maart 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2009, waar namens appellante is verschenen mr. Fischer. Het Uwv heeft zich ter zitting niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster voor 18 uren per week. In verband met vermoeidheids- en psychische klachten is haar met ingang van 1 juli 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek heeft het Uwv bij besluit van 23 april 2004 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 22 juni 2004 ingetrokken op de grond dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen weer geschikt is het eigen werk te verrichten. Subsidiair neemt het Uwv het standpunt in dat appellante geschikt is voor het verrichten van werkzaamheden in passend geachte functies voor 20 uren per week, resulterend in een verlies aan verdiencapaciteit van 25 tot 35%.

1.2. Bij besluit van 4 november 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 april 2004 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van dat besluit onderschreven.

3.1. De Raad overweegt met betrekking tot de vaststelling van de medische beperkingen van appellante als volgt.

3.2. De deskundige heeft in zijn in rubriek I genoemd rapport van 29 augustus 2008 onder verwijzing naar de in het dossier beschikbare medische gegevens samengevat geconcludeerd dat er sprake is van een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis en daarnaast van meerdere chronische psychiatrische aandoeningen, die waarschijnlijk al geruime tijd voor de datum in geding (22 juni 2004) aanwezig waren en tot op de datum van het onderzoek steeds in meer of mindere mate klachten blijven geven. Deze psychiatrische aandoeningen zijn: een paniekstoornis met agorafobie, een dysthyme stoornis, een recidiverende atypische depressie en een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. De deskundige kan zich niet verenigen met de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante per datum in geding, omdat vanuit psychiatrisch perspectief sprake was van forse psychiatrische stoornissen met ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren. De medische beperkingen moeten tenminste worden aangevuld met de op basis van de door hem gestelde conclusies over het psychiatrisch toestandsbeeld. Hij acht appellante onder meer fors beperkt in het verrichten van activiteiten op structurele basis en beperkt in het onder druk of onder verplichting verrichten van activiteiten. Op basis van de in het dossier aanwezige informatie lijkt appellante in juni 2004 niet in staat geweest tot het verrichten van het eigen werk. Bij de uit de arbeidskundige beoordeling voortvloeiende functies is geen rekening gehouden met de aanvullende medische beperkingen, aldus de deskundige.

3.3. Naar aanleiding van de door de bezwaarverzekeringsarts Eken gestelde vragen heeft de deskundige in zijn brief van 25 november 2008 toegelicht dat met de forse medische beperkingen in het verrichten van arbeid op structurele basis wordt bedoeld, dat appellante vanuit psychiatrisch perspectief niet inzetbaar lijkt voor werk op vaste tijden. Appellante lijkt in staat tot gestructureerde arbeid met een duidelijk afgebakend takenpakket, maar deze arbeid kan niet op structurele basis verricht worden omdat juist de sterk wisselende belastbaarheid en de druk en verplichting die activiteiten op structurele basis met zich meebrengen, voor verslechtering van het psychiatrisch beeld kunnen zorgen.

3.4. In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. Van dit uitgangspunt kan onder meer worden afgeweken als zich de bijzondere situatie voordoet dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij geraadpleegde medicus moet worden afgeleid dat de door de rechter ingeschakelde deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen.

3.5. De Raad is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat in dit geval om van het hiervoor vermelde uitgangspunt af te wijken. De deskundige heeft zich gebaseerd op dossierstudie en eigen onderzoek van appellante en heeft daarnaast aanvullend psychologisch onderzoek laten verrichten. De deskundige heeft op inzichtelijke wijze gerapporteerd omtrent zijn bevindingen en zijn conclusies vloeien daar op logische wijze uit voort. Voorts heeft de deskundige de door Eken in haar rapportage van 10 oktober 2008 gestelde vragen onderbouwd beantwoord en zijn standpunt gemotiveerd gehandhaafd. De Raad deelt dan ook niet het standpunt van Eken, zoals uiteengezet in haar rapportage van 12 maart 2009, dat er nog zaken onduidelijk zouden zijn.

3.6. De Raad is, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 tot en met 3.5 is overwogen, van oordeel dat het bestreden besluit een voldoende medische grondslag ontbeert en om deze reden niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak komen daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen het bestreden besluit dient gegrond te worden verklaard.

3.7. Uit de conclusies van de deskundige, zoals in 3.2 en 3.3 is verwoord, leidt de Raad af dat de deskundige appellante vanuit psychiatrisch perspectief per de datum in geding niet inzetbaar acht voor het eigen werk dan wel andere gangbare arbeid. Gelet hierop kan het Uwv met inachtneming van deze uitspraak geen ander besluit nemen dan het besluit van 23 april 2004 te herroepen en de WAO-uitkering van appellante per 22 juni 2004 ongewijzigd voort te zetten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarom ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien.

4.1. Namens appellante is ter zitting gewezen op de lange duur van de procedure. In dit kader is een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en is de Raad verzocht om toekenning van schadevergoeding.

4.2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante.

4.3. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 2 juni 2004 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en iets meer dan vier maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift door het Uwv vijf maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 14 december 2004 tot de uitspraak op 27 september 2005 ruim negen maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 11 november 2005 tot deze uitspraak drie jaar en ongeveer elf maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad.

4.4. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met - voor zover nodig - verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

5. Ten slotte ziet de Raad aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-. Met betrekking tot de kosten van het uitgebrachte rapport van psychiater Hoogschagen is de Raad van oordeel dat de vordering tot vergoeding van deze kosten van € 550,- voor toewijzing in aanmerking komt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 23 april 2004;

Bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.838,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 140,- vergoedt;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 09/5311 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM