Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
08-6594 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenbehandeling stelling verzoek om draagkrachtmeting, omdat niet binnen de in de brief van 12 april 2007 gestelde termijn aan het in deze brief vervatte verzoek om nadere gegevens in te zenden is voldaan. In dit geding staat de vraag centraal of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de IB-Groep de aanvraag om draagkrachtmeting buiten behandeling heeft mogen laten op de grond dat appellant niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek om aanvullende gegevens in te zenden. De vraag of de IB-Groep de draagkracht van appellant automatisch had moeten vaststellen of dat dat met terugwerkende kracht zou hebben gemoeten, omdat dat ook in 2005 en 2006 was gebeurd, valt buiten de omvang van dit geding. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank zoals. Hij voegt daaraan toe dat uit recente rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 24 juni 2008, LJN BD5641 en ABRvS 16 juli 2008, LJN BD7360) volgt dat indien het bestuursorgaan artikel 4:5 van de Awb op zichzelf terecht heeft toegepast en de gevraagde gegevens alsnog in bezwaar worden overgelegd, het op grond van genoemd artikel bevoegd is om een inhoudelijke beslissing op de aanvraag te nemen. Van een algemene verplichting daartoe is echter geen sprake. Indien het bestuursorgaan geen gebruik maakt van de bevoegdheid om in bezwaar alsnog een inhoudelijke beslissing op de aanvraag te nemen, is dat voor de bestuursrechter in beginsel een gegeven en staat dus slechts ter beoordeling of het bestuursorgaan heeft mogen besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van het feit dat andere gegevens konden worden overgelegd ten bewijze van de hoogte van het inkomen, kan worden aangenomen dat dat voor appellant nieuw was. Dat neemt echter niet weg dat hij het formulier had kunnen inzenden, desgewenst met andere bewijsstukken, of dat hij uitstel had kunnen vragen. Ook zou hij bij de IB-Groep informatie hebben kunnen inwinnen over wat hem te doen stond nu hij niet tijdig over de gevraagde informatie beschikte. Wat appellant – niet onterecht – door de IB-Groep is aangerekend, is dat hij in het geheel niet op de brief van 12 april 2007 heeft gereageerd. Hiervoor kan, anders dan appellant meent, ook geen rechtvaardiging worden gevonden in zijn veronderstelling dat de draagkracht voor 2007 automatisch zou worden gemeten. Uit het besluit van 6 januari 2007 bleek immers al dat deze veronderstelling onjuist was. De situatie in de jaren 2005 en 2006, waarop appellant bedoelde veronderstelling kennelijk – mede – had gebaseerd, was bovendien, zo is ter zitting door de IB-Groep toegelicht, wezenlijk anders dan de situatie in 2007. Niet is komen vast te staan dat appellant gedurende de gehele termijn waarbinnen hij had moeten reageren op de brief van de IB-Groep niet in staat was om zijn belangen te (laten) behartigen. Dat appellant begin 2007 al een moeilijke periode heeft doormaakte vanwege het uitblijven van een voorspoedig herstel van zijn partner is alleszins voorstelbaar, maar maakt dit niet anders. De grond dat de IB-Groep het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door geen rekening te houden met de moeilijke financiële positie van appellant wordt door de Raad niet gevolgd. Niet kan worden gezegd, mede gelet op de aard van de belangenafweging in dit geval, dat de IB-Groep in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het besluit de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6594 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2008, 07/3324 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 2 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting, waar het beroep gevoegd is behandeld met het beroep dat is geregistreerd onder nummer 08/6619, heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2009. Appellant was aanwezig, bijgestaan door mr. J.W.F. Menick, advocaat te Amsterdam. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en is bepaald dat in beide zaken afzonderlijk uitspraak zal worden gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 januari 2007 heeft de IB-Groep bepaald dat appellant per 1 januari 2007 maandelijks een bedrag van € 353,97 dient te betalen ter aflossing van zijn studieschuld.

1.2. Tegen dit besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is door de IB-Groep tevens opgevat als een verzoek om draagkrachtmeting. Bij brief van 12 april 2007 heeft de IB-Groep de daarvoor bestemde formulieren aan appellant toegezonden en daarbij verzocht de formulieren binnen vier weken volledig ingevuld en voorzien van de benodigde bewijsstukken terug te sturen.

1.3. Bij besluit van 1 juni 2007 heeft de IB-Groep het verzoek van appellant om draagkrachtmeting buiten behandeling gelaten, omdat niet binnen de in de brief van 12 april 2007 gestelde termijn aan het in deze brief vervatte verzoek om nadere gegevens in te zenden is voldaan.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 1 juni 2007 ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellant de gevraagde gegevens niet tijdig heeft ingezonden en dat de bezwaarprocedure niet kan worden gebruikt om de aanvraag alsnog aan te vullen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het feit dat andere dan de gevraagde bewijsstukken konden worden ingezonden voor appellant weliswaar nieuw was, maar dat dat niet wegneemt dat appellant (tijdig) had kunnen reageren op de brief van 12 april 2007. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat het voor appellant onmogelijk was om te reageren op de brief van 12 april 2007. Daarbij heeft de rechtbank belang gehecht aan het feit dat appellant de IB-Groep niet op de hoogte heeft gesteld van zijn medische situatie en dat hij op die grond had kunnen verzoeken om uitstel.

3. Appellant heeft, voor zover hier van belang, in hoger beroep aangevoerd dat in zijn bezwaarschrift geen melding is gemaakt van de medische situatie van zijn partner omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat haar herstel voorspoedig zou verlopen, terwijl dat – achteraf bezien – een onjuiste veronderstelling bleek. Daarnaast heeft hij op 23 april 2007 zelf een ongeluk gehad met zijn scooter waardoor hij niet in staat was te reageren op de brief van 12 april 2007. Appellant heeft voorts gesteld dat uit de brochure die bij de hem toegezonden formulieren was gevoegd, niet blijkt dat een ander bewijsstuk dan de inkomensverklaring van de Belastingdienst wordt geaccepteerd. Hij heeft verder nog gewezen op de moeilijke financiële situatie waarin hij als gevolg van de beslissing van de IB-Groep is beland. Tot slot heeft hij aangevoerd dat de draagkrachtmeting met terugwerkende kracht in 2005 en 2006 bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat dit ook in 2007 mogelijk zou zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor het in behandeling nemen van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is er onder meer sprake van een onvolledige en ongenoegzame aanvraag indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de door de IB-Groep gevraagde inkomensgegevens noodzakelijk waren voor de beoordeling van de aanvraag van appellant. Ook is niet in geschil dat appellant de beschikking zou kunnen krijgen over deze gegevens en dat de termijn die de IB-Groep appellant heeft gegund (in beginsel) lang genoeg was om haar aanvraag aan te vullen. Tot slot staat vast dat de IB-Groep appellant heeft gewezen op de consequenties die het uitblijven van een aanvulling zou (kunnen) hebben.

4.3. Mede gelet op hetgeen in 4.2 is overwogen staat in dit geding de vraag centraal of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de IB-Groep de aanvraag om draagkrachtmeting buiten behandeling heeft mogen laten op de grond dat appellant niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek om aanvullende gegevens in te zenden. De vraag of de IB-Groep de draagkracht van appellant automatisch had moeten vaststellen of dat dat met terugwerkende kracht zou hebben gemoeten, omdat dat ook in 2005 en 2006 was gebeurd, valt buiten de omvang van dit geding.

4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank zoals dat – verkort – is weergegeven in overweging 2. Hij voegt daaraan toe dat uit recente rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 24 juni 2008, LJN BD5641 en ABRvS 16 juli 2008, LJN BD7360) volgt dat indien het bestuursorgaan artikel 4:5 van de Awb op zichzelf terecht heeft toegepast en de gevraagde gegevens alsnog in bezwaar worden overgelegd, het op grond van genoemd artikel bevoegd is om een inhoudelijke beslissing op de aanvraag te nemen. Van een algemene verplichting daartoe is echter geen sprake. Indien het bestuursorgaan geen gebruik maakt van de bevoegdheid om in bezwaar alsnog een inhoudelijke beslissing op de aanvraag te nemen, is dat voor de bestuursrechter in beginsel een gegeven en staat dus slechts ter beoordeling of het bestuursorgaan heeft mogen besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van het feit dat andere gegevens konden worden overgelegd ten bewijze van de hoogte van het inkomen, kan worden aangenomen dat dat voor appellant nieuw was. Dat neemt echter niet weg dat hij het formulier had kunnen inzenden, desgewenst met andere bewijsstukken, of dat hij uitstel had kunnen vragen. Ook zou hij bij de IB-Groep informatie hebben kunnen inwinnen over wat hem te doen stond nu hij niet tijdig over de gevraagde informatie beschikte. Wat appellant – niet onterecht – door de IB-Groep is aangerekend, is dat hij in het geheel niet op de brief van 12 april 2007 heeft gereageerd. Hiervoor kan, anders dan appellant meent, ook geen rechtvaardiging worden gevonden in zijn veronderstelling dat de draagkracht voor 2007 automatisch zou worden gemeten. Uit het besluit van 6 januari 2007 bleek immers al dat deze veronderstelling onjuist was. De situatie in de jaren 2005 en 2006, waarop appellant bedoelde veronderstelling kennelijk – mede – had gebaseerd, was bovendien, zo is ter zitting door de IB-Groep toegelicht, wezenlijk anders dan de situatie in 2007.

4.6. Met betrekking tot de gestelde onmogelijkheid van appellant om tijdig op de brief van 12 april 2007 te reageren vanwege het ongeluk dat hij op 23 april 2007 heeft gehad overweegt de Raad dat appellant zijn stellingen dienaangaande op geen enkel moment in de procedure heeft onderbouwd. Niet is komen vast te staan dat appellant gedurende de gehele termijn waarbinnen hij had moeten reageren op de brief van de IB-Groep niet in staat was om zijn belangen te (laten) behartigen. Dat appellant begin 2007 al een moeilijke periode heeft doormaakte vanwege het uitblijven van een voorspoedig herstel van zijn partner is alleszins voorstelbaar, maar maakt dit niet anders.

4.7. De grond dat de IB-Groep het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door geen rekening te houden met de moeilijke financiële positie van appellant wordt door de Raad niet gevolgd. Niet kan worden gezegd, mede gelet op de aard van de belangenafweging in dit geval, dat de IB-Groep in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het besluit de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten.

4.8. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2009

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

EK