Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9368

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
07/5537 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doorwerken na 65 jaar; procesbelang; omvang geding; volle toetsing bijzonder geval of terughoudende toetsing discretionaire bevoegdheid

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 196
TAR 2010/19
ABkort 2009/479
JB 2010/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5537 AW Q.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 augustus 2007, 07/4733 en 07/5899, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk (hierna: college)

Datum uitspraak: 24 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.J.M. Scheen, verbonden aan CNV Publieke Zaak. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, vanaf 1 mei 1972 in dienst van de gemeente Katwijk, heeft op 18 april 2007 het college verzocht te mogen doorwerken na 23 augustus 2007, de dag waarop zij 65 jaar werd. Dat verzoek is afgewezen. Die afwijzing is gebaseerd op het eerste lid van artikel 8:2 van de Collectieve Arbeidvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) waarin ontslagverlening imperatief is voorgeschreven bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, en op de overweging dat geen sprake is van een bijzonder geval, in welke situatie het college op grond van het tweede lid van artikel 8:2 van de CAR/UWO kan afwijken van het eerste lid.

1.2. Het bezwaar tegen dat besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 24 juli 2007 (hierna: bestreden besluit). Aan appellante is nadien ontslag verleend in verband met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Dit ontslagbesluit is in rechte onaantastbaar geworden.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) heeft bij de aangevallen uitspraak (LJN BB5958 en TAR 2007, 169) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In rechtsoverweging 7.1 heeft zij overwogen dat er voor het college op grond van artikel 8:2, tweede lid, van de CAR/UWO geen aanleiding was om appellante haar werkzaamheden te laten voortzetten.

3. Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat haar verzoek moet worden beoordeeld tegen de achtergronden van de situatie op haar werkplek. Zij heeft zeer tijdig te kennen gegeven dat zij graag na 23 augustus 2007 zou willen blijven doorwerken. Zij voelt zich echt niet oud. In artikel 8:2, tweede lid, van de CAR/UWO wordt voor de beoordeling van een dergelijk verzoek als criterium “bijzondere omstandigheden” gehanteerd. Het lijkt op het zogenoemde onmisbaarheidscriterium, aldus appellante(s raadsman), die het te ver vindt gaan als haar belang geheel buiten beschouwing blijft. De rechter zal de vraag moeten beantwoorden of al dan niet sprake is van een kennelijke belangenafweging. De in de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen onder 7.1 acht appellante niet zwaar-wegend genoeg om haar verzoek af te wijzen. Tot slot is gewezen op maatschappelijke ontwikkelingen anno 2007 die het langer doorwerken wenselijk maken. Desgevraagd heeft appellantes raadsman ter zitting geantwoord dat het hoger beroep hiertoe is beperkt en zich bijvoorbeeld niet richt tegen artikel 8:2 van de CAR/UWO als zodanig.

4. Het college acht het juist dat de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Het college heeft nog wel de vraag opgeworpen of appellante procesbelang heeft, nu zij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit haar ontslag te verlenen.

5. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

5.1. Hij beantwoordt de door het college nog opgeworpen vraag over het procesbelang bevestigend en acht het (hoger) beroep van appellante ontvankelijk. Een ander oordeel zou afbreuk doen aan de aan appellante toekomende rechtsbescherming. Zij heeft immers tijdig een rechtsmiddel aangewend tegen de afwijzing van haar verzoek en deze afwijzing hangt zodanig samen met het later verleende ontslagbesluit, dat van haar niet gevergd kon worden dat zij (voor dit aspect) tegen dat ontslagbesluit nog afzonderlijk een rechtsmiddel zou aanwenden.

5.2. Ten gronde overweegt de Raad dat hij, met de rechtbank, de door appellante bestreden weigering van het college om gebruik te maken van het tweede lid van artikel 8:2 van de CAR/UWO, in rechte houdbaar acht. De door appellante naar voren gebrachte omstandigheid dat zij nog goed in staat was door te werken, maakt haar geval niet bijzonder. Dat wordt het evenmin door de door appellante bedoelde maatschappelijke ontwikkelingen. De Raad acht de door de rechtbank in haar uitspraak gegeven overwegingen onder 7.1 zwaarwegend genoeg. Met betrekking tot de werkplek van appellante heeft het college nog naar voren gebracht dat de plaats van appellante na haar vertrek niet is vervuld. Met gebruikmaking van de daardoor vrijgevallen middelen is onderzoek gedaan naar de, inmiddels gerealiseerde, mogelijkheid van externe uitbesteding van de door appellante verrichte taak. Aldus kan het standpunt van het college dat het zich niet gedwongen zag gebruik te maken van de in artikel 8:2, tweede lid, van de CAR/UWO gegeven bevoegdheid, niet onjuist worden geacht.

6. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en M.C. Bruning en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD