Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9356

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
08/1910 MAW + 08/1912 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Ontheffing van de opleiding tot specialist VLOO. 2) Ontslag uit de militaire dienst. Nu appellant van de opleiding VLOO was ontheven moet worden vastgesteld dat de commandant bevoegd was hem met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder h, van het AMAR te ontslaan. De Raad staat voor de vraag of gezegd moet worden dat de commandant niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Uit de gedingstukken komt genoegzaam naar voren dat appellant onstabiel gedrag vertoonde. Niet ten onrechte leidde dit bij de commandant tot gebrek aan vertrouwen in de opleidbaarheid van appellant voor een functie bij de Koninklijke luchtmacht. Met betrekking tot de stelling van appellant dat de commandant had moeten onderzoeken of bepaalde gedragingen van appellant een medische oorzaak hadden, overweegt de Raad dat appellant een aantal malen een onderhoud heeft gehad met een arts/psychotherapeut van de Koninklijke luchtmacht. Met inachtneming van het rapport van deze arts van 29 juni 2006 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat appellant begin mei 2006 niet meer arbeidsongeschikt was. In deze en overige gedingstukken zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het gedrag van appellant mogelijk werd bepaald door ziekte. Appellant heeft zelf ook geen enkel medisch gegeven overgelegd dat daarop wijst. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat niet is staande te houden dat de commandant bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het ontslag van appellant heeft kunnen besluiten. Ook voor dit deel slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1910 MAW en 08/1912 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 januari 2008, 07/3837 en 07/3839 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Commandant Luchtstrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 24 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2009. Appellant is niet verschenen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was met ingang van 3 april 2002 aangesteld bij de Koninklijke luchtmacht met de bedoeling hem een opleiding tot specialist Luchtverkeersbeveiliging op de vliegbasis Leeuwarden te laten volgen. Nadat appellant van deze opleiding was ontheven wegens onvoldoende resultaat en vervolgens was geconcludeerd dat de begeleiding van appellant op genoemde vliegbasis onvoldoende was geweest, is appellant op 31 maart 2005 bij wijze van herkansing herbestemd naar het functiegebied Vliegoperationele Ondersteuning (VLOO) met plaatsing op de vliegbasis [naam vliegbasis], waar hij naast praktische tewerkstelling een opleiding tot specialist VLOO zou gaan volgen.

1.2. Appellant heeft bij het volgen van de opleiding tot specialist VLOO niet voldoende resultaten behaald. De desbetreffende examencommissie heeft op 7 november 2005 geoordeeld dat appellant niet thuishoort in het vakgebied VLOO. Daartoe is erop gewezen dat de specialist VLOO een enorme verantwoordelijkheid heeft en dat appellant niet of onvoldoende heeft laten zien dat hij die verantwoordelijkheid aan kan. Mede gezien de wijze waarop appellant zich heeft gedragen, heeft de commissie gemeend dat hem geen nieuwe kans moest worden geboden.

1.3. Bij besluit van 28 april 2006 heeft de commandant appellant op grond van artikel 17 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) ingaande 20 april 2006 van de opleiding tot specialist VLOO ontheven. Tevens is appellant bij dit besluit op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder h, van het AMAR met ingang van 1 juni 2006 ontslag uit de militaire dienst verleend. Bij de bestreden besluiten van 12 maart 2007 heeft de commandant de bezwaren van appellant tegen deze ontheffing en dit ontslag ongegrond verklaard. In het bestreden besluit betreffende de ontheffing heeft de commandant als grondslag voor die ontheffing artikel 13, zesde lid, van het AMAR vermeld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De ontheffing van de opleiding tot specialist VLOO.

3.1.1. Gelet op de onvoldoende resultaten van appellant bij de opleiding, de bevindingen van de examencommissie en hetgeen uit de gedingstukken omtrent houding en gedrag van appellant is gebleken, zoals ook vermeld in de aangevallen uitspraak, acht de Raad geen grond aanwezig voor het oordeel dat de ontheffing van appellant van de opleiding de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Appellant heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden genoemd die dit anders maken.

3.1.2. Het hoger beroep slaagt op dit onderdeel dus niet en de aangevallen uitspraak komt in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

3.2. Het ontslag uit de militaire dienst.

3.2.1. Nu appellant van de opleiding VLOO was ontheven moet worden vastgesteld dat de commandant bevoegd was hem met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder h, van het AMAR te ontslaan. De Raad staat voor de vraag of gezegd moet worden dat de commandant niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

3.2.2. Uit de gedingstukken komt genoegzaam naar voren dat appellant onstabiel gedrag vertoonde. Niet ten onrechte leidde dit bij de commandant tot gebrek aan vertrouwen in de opleidbaarheid van appellant voor een functie bij de Koninklijke luchtmacht.

3.2.3. Met betrekking tot de stelling van appellant dat de commandant had moeten onderzoeken of bepaalde gedragingen van appellant een medische oorzaak hadden, overweegt de Raad dat appellant een aantal malen een onderhoud heeft gehad met een arts/psychotherapeut van de Koninklijke luchtmacht. Met inachtneming van het rapport van deze arts van 29 juni 2006 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat appellant begin mei 2006 niet meer arbeidsongeschikt was. In deze en overige gedingstukken zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het gedrag van appellant mogelijk werd bepaald door ziekte. Appellant heeft zelf ook geen enkel medisch gegeven overgelegd dat daarop wijst.

3.2.4. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat niet is staande te houden dat de commandant bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het ontslag van appellant heeft kunnen besluiten. Ook voor dit deel slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD