Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
07-5224 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep van werkgever tegen besluit inzake aan werknemer toegekende WAO-uitkering. Het Uwv heeft met behulp van het FIS in het onderhavige geval een geautomatiseerde functieselectie uitgevoerd zonder dat voor een belanghebbende werkgever (en in verband met diens gronden in feite ook voor de rechter) op enigerlei wijze toetsbaar, verifieerbaar en mede daardoor inzichtelijk is gemaakt waarom die selectie uiteindelijk geen functies heeft opgeleverd. Vernietiging bestreden besluit. Overschijding redelijke termijn toe te rekenen aan het Uwv. Toekenning schadevergoeding van 3500 euro.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:12, geldigheid: 2009-10-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/323
AB 2009, 378
RSV 2009, 318

Uitspraak

07/5224 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant] te [vestigingsplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 juli 2007, 06/1476,

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij De Fiscount Adviesgroep BV, gevestigd te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft [naam werknemer] (hierna: de werknemer) meegedeeld niet als partij aan het geding te willen deelnemen en geen toestemming te verlenen zijn medische gegevens aan appellant ter kennisname te brengen.

Het Uwv heeft geen verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 20 juli 2009 de gronden van het hoger beroep aangevuld met een vordering tot schadevergoeding.

In verband met deze vordering heeft de Raad partijen telefonisch nog een vraag voorgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2009.

Namens appellant is R.T. van Baarlen, voornoemd, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink.

II. OVERWEGINGEN

1. Werknemer was werkzaam als timmerman toen hij zich met ingang van 17 februari 1997 arbeidsongeschikt meldde. De rechtsvoorganger van het Uwv heeft aan werknemer met ingang van 16 februari 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar de klasse 25 tot 35%. Deze rechtsvoorganger heeft bij besluit van 24 augustus 1999 in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid op 14 juni 1999 de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer als gevolg van deze toeneming met ingang van 12 juli 1999 gesteld op 25 tot 35%.

2. Het Uwv heeft bij besluit van 22 februari 2002 in verband met de in overweging 1 vermelde toegenomen arbeidsongeschiktheid de WAO-uitkering van werknemer met ingang van 12 juli 1999 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het door appellant tegen onder andere dit besluit gemaakte bezwaar, ontvangen door het Uwv op 8 april 2002, is door het Uwv op 7 oktober 2003 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen besluit 1 door appellant bij brief van 17 november 2003 ingestelde beroep, ontvangen bij de rechtbank op 18 november 2003, bij uitspraak van 26 november 2004, 03/1289 (uitspraak 1), verzonden op diezelfde dag, gegrond verklaard en besluit 1 vernietigd. Tegen uitspraak 1 is geen hoger beroep ingesteld. Ter uitvoering van uitspraak 1 heeft het Uwv bij besluit van 12 april 2005 (besluit 2) het bezwaar van appellant tegen onder andere het besluit van 22 februari 2002 wederom ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het door appellant bij brief van 23 mei 2005, ontvangen op 24 mei 2005, ingestelde beroep tegen besluit 2 bij uitspraak van 14 maart 2006 (uitspraak 2) gegrond verklaard en besluit 2 vernietigd. Ook tegen uitspraak 2 is geen hoger beroep ingesteld. Naar aanleiding van uitspraak 2 heeft het Uwv bij besluit van 11 mei 2006 (besluit 3) het eerder vermelde bezwaar van appellant andermaal ongegrond verklaard en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer met ingang van 11 mei 2006 onveranderd gebaseerd blijft op 80 tot 100%. Bij brief van 29 mei 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat in besluit 3 een fout is geslopen en dat in besluit 3 in plaats van 11 mei 2006 moet staan 12 juli 1999. De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 27 juli 2007 (uitspraak 3) het beroep van appellant tegen besluit 3 gegrond verklaard, besluit 3 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 3 in stand blijven. Tevens gaf de rechtbank beslissingen omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het door appellant bij brief van 4 september 2007, ontvangen bij de Raad op 5 september 2007, ingestelde hoger beroep is gericht tegen uitspraak 3.

3. Wat de omvang van het geding betreft heeft de rechtbank in uitspraak 3 vastgesteld dat, nu tegen uitspraak 2 geen hoger beroep is ingesteld, moet worden uitgegaan van de juistheid van de belastbaarheid van werknemer met ingang van 12 juli 1999, zoals die door de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld op 20 december 2004 en in uitspraak 2 als juist is beoordeeld. Dit is overigens tussen partijen ook niet in geschil.

4.1. Wat betreft besluit 3 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat daarin met de vermelding van 11 mei 2006 als de beoordeelde datum, zijnde ook de dagtekening van besluit 3, sprake is van een kennelijke verschrijving. Deze verschrijving is hersteld bij de in overweging 2 vermelde brief van 29 mei 2006, welke de Raad eveneens als een besluit aanmerkt (hierna: besluit 4). Anders dan namens appellant in beroep is aangevoerd, is de Raad van oordeel dat met besluit 4 niet in strijd met de rechtszekerheid is gehandeld, nu met de correctie bij besluit 4 van besluit 3 niet wordt teruggekomen van de eerder vastgestelde, in dit geding overigens niet aan de orde zijnde, mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer met ingang van 1 juli 2001. Voorts is hier, anders dan namens appellant is betoogd, geen sprake van ontoelaatbare getrapte besluitvorming, nu besluit 4 enkel strekt tot correctie van een kennelijke verschrijving in besluit 3. De Raad zal de besluiten 3 en 4 dan ook als één geheel beschouwen en beoordelen en hierna beide tezamen aanmerken als het bestreden besluit.

4.2. De Raad ziet voorts de grief van appellant, inhoudende dat met het besluit van 22 februari 2002 in strijd met de rechtszekerheid is teruggekomen van het in overweging 1 vermelde besluit van 24 augustus 1999, niet slagen. Ook wat betreft laatstgenoemd besluit was sprake van een kennelijke verschrijving welke bij eerstgenoemd besluit is hersteld. De Raad overweegt daartoe dat in het advies van de toenmalige SFB uitvoeringsorganisatie van 2 augustus 1999 onder verwijzing naar onder andere artikel 39a van de WAO is gesteld dat werknemer ingaande 12 juli 1999, na 4 weken onafgebroken toegenomen arbeidsongeschikt te zijn geweest, als 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd, terwijl in de begeleidende brief aan werknemer bij het besluit van 24 augustus 1999 ook wordt gesproken van een beslissing tot verhoging van diens WAO-uitkering, welke overigens ook als zodanig feitelijk is betaald. De omstandigheid dat nadien door de rechtbank bij de uitspraken 1 en 2 de besluiten 1 en 2, waarbij op het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2002 is beslist, zijn vernietigd, maakt niet dat thans moet worden gezegd dat destijds geen sprake was van een kennelijke verschrijving. De vraag of daarvan sprake is wordt immers beoordeeld in het licht van de toen plaats gevonden hebbende besluitvorming en niet in het licht van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak die nadien de richting wijst welke inhoud die besluitvorming rechtens had moeten hebben.

5.1. Naar aanleiding van de arbeidskundige gronden tegen besluit 2 heeft de rechtbank bij uitspraak 2 overwogen dat raadpleging door het Uwv van het zogenoemde functie-informatiesysteem (FIS) geen functies heeft opgeleverd, maar dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt en onvoldoende is gemotiveerd op welke wijze het FIS is geraadpleegd, gerelateerd aan de voor werknemer vastgestelde beperkingen en de kennelijk bij die raadpleging gehanteerde criteria als opleidingsniveau, leeftijd, aspecten, opleidingsrichting, wisselende dienst en werktijden. Wat dit laatste betreft merkte de rechtbank nog op dat een aantal functies is verworpen op het aspect werktijden, terwijl dienaangaande voor werknemer geen beperkingen zijn vastgesteld. Om deze redenen vernietigde de rechtbank bij uitspraak 2 besluit 2 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.2. Ter uitvoering van uitspraak 2 heeft het Uwv het bestreden besluit genomen. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een ongedateerd rapport van de bezwaararbeidsdeskundige G. Huisman, waarin is uiteengezet hoe op basis van de in het FIS ingevoerde gegevens, zoals vermeld in de “recapitulatie voorselectie” van 5 januari 2005 en de verwoording belastbaarheid van belanghebbende het “resumé eindselectie” tot stand komt. Dit geschiedt – kort gezegd – op basis van een geautomatiseerd matchingsproces waarop de arbeidsdeskundige geen enkele invloed kan uitoefenen. In het onderhavige geval heeft dit proces er toe geleid dat alle functiebeschrijvingen op de onderscheiden criteria zijn verworpen.

5.3. De rechtbank heeft in uitspraak 3 naar aanleiding van het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, waarin – kort gezegd – is aangevoerd dat niet inzichtelijk is gemaakt waarom functies zijn verworpen op een aantal selectiecriteria als zondag- en nachtarbeid waarop werknemer niet was beperkt, overwogen dat met de uitgebreide toelichting van de zijde van het Uwv ter zitting van de rechtbank op 4 mei 2007 op de hantering van de verschillende selectiecriteria eerst in de beroepsfase definitief en rechtens aanvaardbaar is verwoord hoe de “recapitulatie voorselectie” en het “resumé eindselectie” moeten worden gelezen. Van de zijde van het Uwv werd gesteld dat Huisman onvoldoende duidelijk had gemaakt of per de datum in geding terecht geen functies konden worden geduid. De rechtbank verwierp, gelet op de mondelinge toelichting van het Uwv ter zitting, de gronden van appellant betreffende het gebrek aan inzichtelijkheid van het bestreden besluit en wees erop dat het FIS ten tijde van de datum in geding volgens de jurisprudentie op de wijze zoals toegelicht op haar zitting mocht worden toegepast. De rechtbank oordeelde, gelet op een en ander, dat het bestreden besluit moest worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen in stand konden blijven.

5.4. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt betreffende het gebrek aan inzichtelijkheid en verifieerbaarheid van de onderhavige schatting in essentie herhaald.

5.5.1. De Raad heeft al vaker geoordeeld dat in het geval dat een belanghebbende werkgever de mate van arbeidsongeschiktheid van een (ex)werknemer betwist, stellende dat die (ex)werknemer niet arbeidsongeschikt is dan wel minder arbeidsongeschikt dan van de zijde van het Uwv is aangenomen, de aard van betrokken belangen meebrengt dat het Uwv het besluit ten aanzien van die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert. Dit geldt voor zowel de medische als de arbeidskundige kant van een schatting. De Raad wijst in dit verband op bijvoorbeeld zijn uitspraken van 24 februari 2004 (LJN AO6273) en 6 november 2007 (LJN BB7853).

5.5.2. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit niet voldoet aan de in 5.5.1 geformuleerde motiveringseis. Weliswaar is van de zijde van het Uwv, zoals in overweging 5.3 naar voren komt, ter zitting van de rechtbank op 4 mei 2007 de werkwijze bij de functieselectie met behulp van het FIS uitvoerig toegelicht, maar deze toelichting maakt nog niet inzichtelijk waarom functies uiteindelijk zijn afgevallen. Zo gold bijvoorbeeld op grond van het ten tijde van de datum bij het bestreden besluit in geding geldende Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong volgens artikel 3, tweede lid, onderdelen f en g, dat bij het in aanmerking nemen van algemeen geaccepteerde arbeid functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden buiten beschouwing blijven, tenzij deze toeslagen wel zijn meegenomen bij het vaststellen van het maatmaninkomen (onderdeel f), en dat onderdeel f buiten toepassing blijft indien uitsluitend arbeid kan worden verricht in afwijkende arbeidstijden. Reeds in de pleitnota namens het Uwv, uitgesproken ter zitting van de rechtbank van 4 mei 2007, is aangegeven dat nagenoeg altijd sprake is van een toeslag bij wisselende diensten, hetgeen naar het oordeel van de Raad derhalve niet uitsluit dat er functies zijn met wisselende diensten zonder een dergelijke toeslag. Van de zijde van het Uwv is dit desgevraagd ter zitting ook niet ontkend maar is gewezen op de eerder toegelichte werking van het FIS. Dit laatste acht de Raad in het licht van de in 5.5.1 vermelde uitspraken op zich niet overtuigend. Dit geldt temeer, nu van de zijde van het Uwv ter evenvermelde zitting van de rechtbank is verklaard dat naar de invoeringsgegevens ten dele is gekeken en dat bij invoering van het FIS niet de bedoeling voorstond om voor een werkgever inzichtelijk te maken waarom functies werden geduid of waarom functies vervielen. Voorts kon van de zijde van het Uwv ter zitting van de Raad niet worden bevestigd of bij de functieselectie uiteindelijk ook functies met een urenomvang van minder dan 35 uur in aanmerking zijn genomen. Verder is van de zijde van het Uwv ter zitting van de Raad aangegeven dat volgens niet gepubliceerd beleid tot 1 oktober 2004 geen functies in aanmerking werden genomen met zondagsarbeid, terwijl in het onderhavige geval vaststaat dat werknemer niet beperkt is voor zondagsarbeid. Ten slotte kan er niet aan worden voorbijgezien dat de gemachtigde van appellant ter zitting desgevraagd nog heeft verklaard evenzeer bezwaar te hebben tegen het feit dat, zonder dat dit nader inzichtelijk is gemaakt en toetsbaar is, alle na de schifting in de functieselectie op basis van de arbeidskundige criteria nog resterende functies niet zijn geselecteerd omdat volgens de automatische matching niet werd voldaan aan de voor appellant geldende belastbaarheid.

5.5.3. Het overwogene in 5.5.2 komt er naar het oordeel van de Raad in feite op neer dat het Uwv met behulp van het FIS in het onderhavige geval een geautomatiseerde functieselectie heeft uitgevoerd zonder dat voor een belanghebbende werkgever (en in verband met diens gronden in feite ook voor de rechter) op enigerlei wijze toetsbaar, verifieerbaar en mede daardoor inzichtelijk is gemaakt waarom die selectie uiteindelijk geen functies heeft opgeleverd. Een dergelijke wijze van functieselectie, hoe begrijpelijk deze wellicht ook moge zijn vanuit systeemtechnisch oogpunt, doet deze bij gebreke van een motivering, die wel toetsbaar, verifieerbaar en inzichtelijk is in het licht van de in 5.5.1 vermelde uitspraken in strijd zijn met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

6.1. In de beroepsprocedure bij de rechtbank tegen het bestreden besluit heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ruim is overschreden. Ter zake hiervan heeft de rechtbank in uitspraak 3 onder meer het volgende overwogen:

“Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM geen vaste termijn is. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden ontkend dat onderhavige procedure reeds geruime tijd loopt. Voor het oordeel dat sprake is van een schending van de redelijke termijn is evenwel geen plaats. De rechtbank heeft bij dit oordeel met name in aanmerking genomen de aard van de zaak en de loop van de procedure met opeenvolgende beroepschriften van eiser, beslissingen van de rechtbank en nieuwe beslissingen op bezwaar van verweerder. Niet kan worden geoordeeld dat verweerder zijn beslissingen op bezwaar onredelijk traag heeft genomen, gelet op de omstandigheden van onderhavige zaak, anderszins onredelijk traag heeft gewerkt. Ook overigens zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn als bedoelt in art. 6 EVRM wordt derhalve afgewezen.”

6.2. In hoger beroep heeft appellant zich ook gekeerd tegen dit oordeel van de rechtbank en gewezen op mogelijke overschrijding door de Raad van de hem volgens de jurisprudentie toegemeten behandelingsduur. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd echter zijn vordering in verband met schending van de redelijke termijn beperkt tot de duur van de procedure zoals die in uitspraak 3 is beoordeeld.

6.3. Wat betreft de algemene uitgangspunten die de Raad hanteert bij de beoordeling van het oordeel van de rechtbank over een in de beroepsfase tegen een nieuw besluit op bezwaar, na eerdere vernietigingen van besluiten op bezwaar door de rechtbank, gedaan beroep op schending van de redelijke termijn, verwijst de Raad naar zijn – ook ter zitting ter sprake gekomen – uitspraken van 4 juni 2009 (LJN BI8665) en 1 juli 2009 (LJN BJ2430). Het komt er volgens die uitspraken op neer dat de rechtbank moet uitgaan van een redelijke termijn van twee jaar voor de procedure als geheel (dat wil zeggen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van de laatste rechtbankuitspraak, een half jaar voor het bestuursorgaan en anderhalf jaar voor de rechtbank). Voorts wordt de overschrijding van de redelijke termijn in die procedure in beginsel volledig aan het Uwv toegerekend, behoudens een langere duur van behandeling in elk der rechterlijke ronden onderscheidenlijk in de rechterlijke fase als geheel dan in evengenoemde uitspraken is vastgelegd. In een dergelijke situatie komt de periode van overschrijding van die rechterlijke behandelingsduur niet voor rekening van het Uwv maar voor rekening van de Staat.

6.4. In de onderhavige zaak – partijen verschillen daar in wezen niet over van mening – staat vast dat vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift tegen het besluit van 22 februari 2002 tot het doen van uitspraak 3 de procedure 5 jaar en ruim drie maanden heeft geduurd, hetgeen een overschrijding betekent van 3 jaar en ruim 3 maanden en dat de rechtbank bij het doen van de uitspraken 1, 2 en 3 telkens binnen de haar toegemeten behandelingstermijn van anderhalf jaar is gebleven. Een en ander betekent voor het onderhavige geval dat de genoemde overschrijding geheel voor rekening van het Uwv komt. Nu, zoals ook in de in 6.3 genoemde uitspraken is vastgelegd, de Raad in het algemeen een vergoeding gepast acht van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden, bedraagt de door het Uwv te betalen vergoeding aan appellant zeven maal € 500, hetgeen uitkomt op € 3.500,- , hetgeen door partijen, zij het niet geheel op dezelfde wijze als hiervoor uiteengezet, ook was berekend.

7. De overwegingen 3 tot en met 6.4 leiden de Raad tot de slotsom dat uitspraak 3, met uitzondering van de daarbij uitgesproken veroordeling van het Uwv tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, moet worden vernietigd, dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd met opdracht aan het Uwv om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

8. De Raad acht termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt uitspraak 3, behoudens voor zover daarin over de vergoeding van griffierecht en proceskosten is beslist;

Verklaart het beroep tegen besluit 3 gegrond en vernietigt besluit 3;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade aan appellant tot een bedrag van € 3.500,-;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en R. Kruisdijk als leden in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier.

De beslissing is, uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK