Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9325

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
08/6376 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op WW-uitkering ingaande 3 september 2007 met bepaling dat de uitkering vanaf 1 oktober 2007 uitbetaald wordt. Gezien feiten en omstandigheden ligt niet zonder meer een ontslagvergoeding of een latere ontbindingsdatum in de rede.

Geen benadelingshandeling. Vernietiging bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6376 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 oktober 2008, 08/930 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 16 september 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.T. Meijhuis, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het geding is ter zitting van 3 juni 2009 aan de orde gesteld. Partijen zijn daar met voorafgaand bericht niet verschenen.

Nadien is besloten het onderzoek te heropenen. In dat kader heeft de Raad de gemachtigde van appellant enige vragen gesteld. Daarop is namens appellant bij brief van 2 juli 2009 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009. Appellant is verschenen bij mr. Meijhuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Reitsma.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant, geboren in 1974, is op 1 juni 2004 in dienst getreden van [naam werkgever] (hierna: werkgever) als chauffeur. Hij heeft zich per 23 mei 2007 ziekgemeld wegens knieklachten. Appellant werd met ingang van 4 juli 2007 in staat geacht zijn werk-zaamheden te hervatten. Hij was het daar niet mee eens en heeft een deskundigenoordeel aangevraagd. Daarbij werd appellant in het ongelijk gesteld. Met ingang van 8 augustus 2007 heeft appellant het werk hervat. Na enige dagen werken heeft hij vakantiedagen opgenomen. Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter bij beschikking van 22 augustus 2007 de arbeidsovereenkomst met appellant per 1 september 2007 ontbonden, zonder toekenning van een vergoeding. Zoals namens appellant is bevestigd is sprake van een door de (raadslieden van de) werkgever en appellant ‘geregelde’ ontbinding van de arbeidsovereenkomst, waarbij deze overeengekomen zijn het ertoe te leiden dat de kantonrechter niet alleen op de kortst mogelijke termijn ontbindt maar bovendien zonder dat ter zake van die ontbinding een vergoeding wordt toegekend.

1.3. Appellant heeft een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 14 september 2007 is appellant ingaande 3 september 2007 recht op WW-uitkering toegekend met bepaling dat die uitkering pas per 1 oktober 2007 wordt betaald. Bij besluit van 11 januari 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij in aanmerking genomen dat de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn één maand bedraagt en geëindigd zou zijn op 30 september 2007. Appellant heeft, doordat hij noch een vergoeding heeft verzocht ter hoogte van het bedrag aan loon over die opzegtermijn, noch heeft verzocht de ontbinding uit te spreken per 1 oktober 2007, volgens het Uwv een benadelingshandeling gepleegd. Het Uwv heeft op die grond bij wijze van maatregel de WW-uitkering geweigerd tot 1 oktober 2007. Het Uwv verwijst daarvoor naar artikel 16, derde lid, van de WW in verbinding met artikel 24, vijfde lid, en artikel 27, derde lid, van de WW.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het voor appellant haalbaar was geweest om te bereiken dat de ontbinding per een latere datum zou hebben plaats-gevonden dan wel dat appellant aanspraak op een vergoeding zou hebben kunnen maken. Het argument van appellant dat er vanaf 4 juli 2007 sprake was van werkweigering, doordat hij per die datum geschikt werd geacht om zijn werkzaamheden te hervatten, terwijl hij meende daartoe niet in staat te zijn en een deskundigenoordeel heeft aangevraagd, heeft de rechtbank verworpen, overwegende dat de werkgever daarin aanleiding heeft gezien de loondoorbetaling per 4 juli 2007 stop te zetten. Volgens de rechtbank had dit appellant dus niet hoeven te beletten een ontbindingsvergoeding te vragen.

3. Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 juni 2003, LJN AI0656, USZ 2003/244, herhaald dat hij niet in de positie is geweest enige vergoeding te vragen omdat er vanaf 4 juli 2007 sprake was van werkweigering. De met de werkgever getroffen regeling was volgens hem de maximaal haalbare. Hij wijst er voorts op dat hem ter zake van het treffen van die regeling met de werkgever geen verwijt kan worden gemaakt, in welk verband hij medische stukken heeft overgelegd ten betoge dat hij zich destijds terecht op het standpunt heeft gesteld arbeidsongeschikt te zijn gebleven.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of het voor appellant haalbaar was geweest de ontbinding per een latere datum te doen plaatsvinden dan wel een vergoeding toegekend te krijgen die de opzegtermijn van de werkgever zou hebben ‘gedekt’. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord, kan appellant geen benadelingshandeling worden verweten.

4.2. In diverse uitspraken van de Raad, onder meer in de door appellant genoemde en in die van 2 maart 2005, LJN AT2821, alsmede in die van 5 december 2007, LJN BB9698, RSV 2008/33, is neergelegd dat het enkele feit dat de werknemer in het kader van een, al dan niet geregelde, ontbinding niet vraagt om bij de datum van de ontbinding dan wel bij het bedingen van een vergoeding rekening te houden met de fictieve opzegtermijn, geen benadelingshandeling oplevert. Daarvan kan wel sprake zijn indien aanstonds blijkt dat een (hogere) vergoeding in de rede lag. De Raad verwijst daarvoor naar zijn uitspraak van 2 februari 2005, LJN AS8587, RSV 2005/122, USZ 2005/148. Het is dan echter in beginsel aan het Uwv om aan te tonen dat daarvan sprake is. De Raad ziet geen reden van de in die uitspraken ingenomen standpunten terug te komen.

4.3. Hoewel de gemachtigde van appellant geen volledige duidelijkheid heeft kunnen geven over de wijze waarop de toenmalige raadsman van appellant en die van de werkgever tot overeenstemming zijn gekomen over de voorwaarden van de ontbinding, gaat de Raad er, op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde te zijner zitting, vanuit dat de gang van zaken als volgt is geweest. Appellant heeft rechtsbijstand gezocht toen hij over de maand juni 2007 geen loon ontving en er een arbeidsconflict dreigde wegens de hersteldverlaring per 4 juli 2007 waar appellant het niet mee eens was. De maand juni is weliswaar alsnog betaald, maar de werkgever heeft de loonbetaling opgeschort, toen appellant na de hersteldverklaring per 4 juli 2007 zijn werk niet hervatte. Bij het deskundigenoordeel van 19 juli 2007 is appellant in het ongelijk gesteld. Appellant meende echter zijn werk als chauffeur niet te kunnen verrichten. Hij heeft vervolgens enige dagen het werk hervat en daarna vakantiedagen opgenomen. Ervan uitgaande dat appellant daarna het werk zou moeten hervatten, dan wel zonder inkomsten zou geraken, ligt het voor de hand dat de werkgever is benaderd om te komen tot een regeling waarbij het WW-uitkeringsrecht werd veilig gesteld. Bezien vanuit dat oogpunt had appellant er belang bij dat de ontbinding op verzoek van de werkgever en op korte termijn werd uitgesproken. Daar is de werkgever mee akkoord gegaan. Het ligt niet in de reden dat de werkgever in die situatie een verzoek om enige vergoeding zou hebben gehonoreerd. Daarbij komt dat geen sprake was van een langdurig dienstverband noch gebleken is van de situatie dat de werkgever schuld had aan de arbeidsongeschiktheid.

4.4. Naar het oordeel van Raad volgt uit deze feiten en omstandigheden niet zonder meer dat een ontslagvergoeding of een latere ontbindingsdatum in de rede lag. De Raad stelt voorts vast dat het Uwv geen enkele onderbouwing heeft gegeven van zijn standpunt dat het voor appellant haalbaar was te vragen om een vergoeding of een latere ontbindingsdatum. Gelet op hetgeen onder 3.2 is overwogen, kan dan ook niet worden geconcludeerd dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting wijst de Raad er tot slot nog op dat hier uitsluitend de vraag voorligt of sprake is van een benadelingshandeling in combinatie met artikel 16, derde lid, van de WW en niet of sprake is van verwijtbare werkloosheid.

4.5. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Het Uwv zal opnieuw een beslissing moeten nemen op het bezwaar van appellant en daarbij het verzoek tot vergoeding van de kosten in bezwaar en van de wettelijke rente dienen te betrekken.

4.6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant, begroot op € 322,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, telkens wegens kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant, begroot op € 966,--;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- ( € 39,-- + € 107,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M. Lammerse.

HD