Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
08-6619 WSF
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag draagkrachtmeting buiten behandeling gelaten omdat appellante niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek om aanvullende gegevens in te zenden. Omvang geding. Ondanks ziekte niet buiten staat belangen te behartigen. Evenredigheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6619 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2008, 07/2957

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 2 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting, waar het beroep gevoegd is behandeld met het beroep dat is geregistreerd onder nummer 08/6594, heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2009. Appellante was aanwezig, bijgestaan door mr. J.W.F. Menick, advocaat te Amsterdam. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en is bepaald dat in beide zaken afzonderlijk uitspraak zal worden gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 januari 2007 heeft de IB-Groep bepaald dat appellante per 1 januari 2007 maandelijks een bedrag van € 288,09 dient te betalen ter aflossing van haar studieschuld.

1.2. Tegen dit besluit heeft appellante een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is door de IB-Groep tevens opgevat als een verzoek om draagkrachtmeting. Bij brief van 12 april 2007 heeft de IB-Groep de daarvoor bestemde formulieren aan appellante toegezonden en daarbij verzocht de formulieren binnen vier weken volledig ingevuld en voorzien van de benodigde bewijsstukken terug te sturen.

1.3. Bij besluit van 1 juni 2007 heeft de IB-Groep het verzoek van appellante om draagkrachtmeting buiten behandeling gelaten, omdat niet binnen de in de brief van 12 april 2007 gestelde termijn aan het in deze brief vervatte verzoek om nadere gegevens in te zenden is voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 1 juni 2007 ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellante voor het eerst bij brief van 8 oktober 2007, waarin zij verzoekt om herziening van de beslissing op bezwaar, melding heeft gemaakt van een bij haar in december 2006 geconstateerde ziekte die haar niet in staat stelde (tijdig) te reageren op het verzoek om nadere informatie, zodat de IB-Groep in de beslissing op bezwaar daarmee geen rekening heeft kunnen houden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het feit dat andere dan de gevraagde bewijsstukken konden worden ingezonden voor appellante weliswaar nieuw was, maar dat dat niet wegneemt dat van appellante mocht worden verwacht dat zij tijdig op de brief van 12 april 2007 zou reageren.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat in het bezwaarschrift van haar medische situatie geen melding is gemaakt omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat haar herstel voorspoedig zou verlopen, terwijl dat – achteraf bezien – een onjuiste veronderstelling bleek. Appellante heeft voorts gesteld dat uit de brochure die bij de haar toegezonden formulieren was gevoegd, niet blijkt dat een ander bewijsstuk dan de inkomensverklaring van de Belastingdienst wordt geaccepteerd. Zij heeft verder nog gewezen op de moeilijke financiële situatie waarin zij als gevolg van de beslissing van de IB-Groep is beland. Tot slot heeft zij aangevoerd dat de draagkrachtmeting met terugwerkende kracht in 2006 bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat dit ook in 2007 mogelijk zou zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor het in behandeling nemen van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is er onder meer sprake van een onvolledige en ongenoegzame aanvraag indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de door de IB-Groep gevraagde inkomensgegevens noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag van appellante. Ook is niet in geschil dat appellante de beschikking zou kunnen krijgen over deze gegevens en dat de termijn die de IB-Groep appellante heeft gegund (in beginsel) lang genoeg was om haar aanvraag aan te vullen. Ook staat vast dat de IB-Groep appellante heeft gewezen op de consequenties die het uitblijven van een aanvulling zou (kunnen) hebben.

4.3. Mede gelet op hetgeen in 4.2 is overwogen staat in dit geding de vraag centraal of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de IB-Groep de aanvraag om draagkrachtmeting buiten behandeling heeft mogen laten op de grond dat appellante niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek om aanvullende gegevens in te zenden. De vraag of de IB-Groep de draagkracht van appellante automatisch had moeten vaststellen en of dat dat met terugwerkende kracht zou hebben gemoeten, omdat dat ook in 2005 en 2006 was gebeurd, valt buiten de omvang van dit geding.

4.4. De Raad onderschrijft de onder 2 verkort weergegeven overweging van de rechtbank met betrekking tot de melding van de ziekte van appellante. Hij voegt daar aan toe dat niet is gebleken dat appellante in de periode december 2006 tot en met begin mei 2007 op geen enkel moment in staat was om haar belangen te behartigen, of iemand te verzoeken deze voor haar te behartigen. De overgelegde verklaringen bevestigen weliswaar dat appellante in de genoemde periode ziek was, maar dat zij die gehele periode niet in staat is geweest om haar belangen te behartigen blijkt daaruit niet. Dat appellante door het uitblijven van een voorspoedig herstel een moeilijke periode heeft doorgemaakt is begrijpelijk, maar maakt dat niet anders.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van het feit dat andere gegevens konden worden overgelegd ten bewijze van de hoogte van het inkomen, kan worden aangenomen dat dit voor appellante nieuw was. Dat neemt niet weg dat zij het formulier had kunnen inzenden, desgewenst met andere bewijsstukken, of dat zij uitstel had kunnen vragen. Ook zou zij bij de IB-Groep informatie hebben kunnen inwinnen over wat haar te doen stond nu zij niet tijdig over de gevraagde informatie beschikte. Wat appellante – niet onterecht – door de IB-Groep is aangerekend, is dat zij in het geheel niet op de brief van 12 april 2007 heeft gereageerd. Hiervoor kan, anders dan appellante meent, ook geen rechtvaardiging worden gevonden in haar veronderstelling dat de draagkracht voor 2007 automatisch zou worden gemeten. Uit het besluit van 6 januari 2007 bleek immers al dat deze veronderstelling onjuist was. De situatie in de jaren 2005 en 2006, waarop appellante bedoelde veronderstelling kennelijk had gebaseerd, was bovendien, zo is ter zitting door de IB-Groep toegelicht, wezenlijk anders dan de situatie in 2007.

4.6. De stelling dat de IB-Groep het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door geen rekening te houden met de moeilijke financiële positie van appellante wordt door de Raad niet gevolgd. Niet kan worden gezegd, mede gelet op de aard van de belangenafweging in dit geval, dat de IB-Groep in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het besluit de aanvraag van appellante buiten behandeling te laten.

4.7. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2009

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

EK