Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9254

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2009
Datum publicatie
05-10-2009
Zaaknummer
08-4619 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering (25 tot 35%). Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4619 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 juli 2008, 07/1134 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 21 augustus 2009. Appellante is - met bericht van verhindering - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L.Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Appellante heeft op 21 december 1998 als gevolg van psychische klachten haar werkzaamheden als medewerkster bij een bloemenbedrijf gestaakt. Het Uwv heeft aan appellante met ingang van 20 december 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 15 november 2006 heeft het Uwv per 16 januari 2007 de WAO-uitkering van appellante herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Bij besluit van 8 februari 2007 zijn de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de herziening van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar mogelijkheden en beperkingen in voor haar geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat haar mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar ruim 25%. De aan de herziening ten grondslag liggende inschatting van de arbeidsbeperkingen van appellante is vooral gebaseerd op een op verzoek van het Uwv verrichte expertise door de psychiater J. IJsselstein.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 8 februari 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en vooral verwezen naar hetgeen zij in eerdere instanties heeft aangevoerd, naar het door haar in de bezwaarfase ingebrachte rapport van een door de zenuwarts G.W. de Graaff uitgevoerd onderzoek en naar de reactie van De Graaff op het aan de rechtbank uitgebrachte rapport van een door de psychiater R. Thomassen verricht onderzoek.

4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Ook de Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan het rapport van de psychiater Thomassen. Deze had de beschikking over alle medische informatie, waaronder de rapporten van IJsselstein en De Graaff en is naar het oordeel van de Raad op zorgvuldige en overtuigende wijze tot de conclusie gekomen dat het Uwv de beperkingen van appellante niet heeft onderschat.

4.2. Ook het oordeel van de rechtbank, dat appellante in staat moet worden geacht de geduide functies uit te oefenen, kan de Raad onderschrijven. Van de zijde van appellante zijn overigens ook geen arbeidskundige gronden naar voren gebracht.

5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

TM