Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
02-10-2009
Zaaknummer
09-63 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte terug te vorderen onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van het Uwv meegedeeld dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de aflossingscapaciteit, wordt ingetrokken. Ter beoordeling van de Raad staat derhalve nog de vraag of de terugvordering ter hoogte van € 41.495,-- op goede gronden berust. Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend. In het bestreden besluit is uiteengezet op welke wijze het in geding zijnde bedrag is berekend. De Raad is niet tot de conclusie kunnen komen dat deze berekening onjuist is. Van een dubbele verrekening, zoals door appellant is gesteld, is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Het door appellant niet uitgewerkte beroep op verjaring, slaagt niet en moet naar het oordeel van de Raad dan ook worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/63 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 december 2008, 08/85 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2009, waar appellant in persoon is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn eerdere uitspraak van 30 mei 2006, 04/1669 (LJN AX8565), alsmede de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 5 december 2000 heeft het Uwv van appellant een bedrag van f 91.444,83 (€ 41.495,85) bruto, inclusief overhevelingstoeslag, teruggevorderd over de periode 1 april 1993 tot en met 31 oktober 1997 wegens onverschuldigde betaling. Bij een daaropvolgend besluit van 22 april 2002 heeft het Uwv de aflossingstermijn van appellant vastgesteld op een bedrag van € 487,64 per maand.

1.3. De door appellant tegen die besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 9 april 2003 ongegrond verklaard, waarna de rechtbank bij uitspraak van 19 februari 2004 het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard.

1.4. Bij zijn uitspraak van 30 mei 2006 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 19 februari 2004 vernietigd, het beroep van appellant tegen het besluit van 9 april 2003 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De Raad was van oordeel dat het bestreden besluit van 9 april 2003 niet goed was gemotiveerd omdat getwijfeld kon worden aan de juistheid van het teruggevorderde bedrag. Voorts heeft de Raad, naast beslissingen omtrent proceskosten en griffierecht, het Uvw opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in zijn uitspraak heeft overwogen.

2. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 21 december 2007 de hoogte van het terug te vorderen bedrag, nadat appellant was gehoord, vastgesteld op € 41.495,-- bruto, inclusief overhevelingstoeslag. Voorts heeft het Uwv de aflossingscapaciteit van appellant met ingang van 1 januari 2008 vastgesteld op € 1.444,34 per maand. Daarnaast heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de eerdere verrekening van de aan hem door de Raad toegekende proceskostenvergoeding van € 1.421,-- met de openstaande terugvordering ongedaan wordt gemaakt, hetgeen betekent dat bij het nog openstaande deel van het totale terug te vorderen bedrag van € 41.495,-- weer een bedrag van € 1.421,-- wordt bijgeteld. Op 7 februari 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld alsnog over te gaan tot verrekening met de openstaande terugvordering.

3.1. In beroep heeft appellant gesteld zich niet te kunnen verenigen met de terugvordering ter hoogte van € 41.495,-- en de vastgestelde aflossingscapaciteit per maand. Naar zijn mening is de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet inzichtelijk gemaakt en is er sprake van een dubbele verrekening. Voorts is hij van mening dat de aflossingscapaciteit op een te hoog bedrag is vastgesteld waarbij hij heeft gewezen op een eerder vastgesteld bedrag van € 68,34 per maand. Tevens heeft hij bezwaren geuit tegen de omstandigheid dat de aan hem toegekende proceskostenvergoeding ter hoogte van € 1.421,-- door het Uwv is verrekend.

3.2. Het door appellant ingestelde beroep tegen de terugvordering van het bedrag van € 41.495,-- en de vastgestelde aflossingscapaciteit is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Ten aanzien van de vordering van appellant om de aan hem toegekende proceskostenvergoeding ter hoogte van € 1.421,-- aan hem uit te betalen heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard.

4. Appellant heeft enkel hoger beroep ingesteld, voor zover de rechtbank het beroep tegen de terugvordering en de aflossingscapaciteit ongegrond heeft verklaard. Daarbij heeft hij dezelfde gronden naar voren gebracht als eerder in de procedure.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van het Uwv meegedeeld dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de aflossingscapaciteit, wordt ingetrokken. Ter beoordeling van de Raad staat derhalve nog de vraag of de terugvordering ter hoogte van € 41.495,-- op goede gronden berust.

5.3. Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend. In het bestreden besluit is uiteengezet op welke wijze het in geding zijnde bedrag is berekend. De Raad is niet tot de conclusie kunnen komen dat deze berekening onjuist is. Van een dubbele verrekening, zoals door appellant is gesteld, is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Het door appellant niet uitgewerkte beroep op verjaring, slaagt niet en moet naar het oordeel van de Raad dan ook worden verworpen.

5.4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 14,60 voor gemaakte reiskosten in beroep en op € 42,20 voor gemaakte reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve op

€ 56,80.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt het Uwv tot betaling van proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 56,80;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK