Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9159

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
08-5520 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Per einde wachttijd, 22 augustus 1994, 45-55% arbeidsongeschiktheid. Fictieve mate van arbeidsongeschiktheid vanaf 1 juni 1997 vastgesteld op 35 tot 45%. Anticumulatie. Voldoende onderzoek naar de reiskosten(vergoedingen). Geen onjuistheden wat betreft de vaststelling van appellants inkomsten uit arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5520 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 augustus 2008, 07/606

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2009. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.J.F. Prudon.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad heeft in zijn uitspraak van 12 september 2006 (met registratienummers 04/3784 en 05/2669 WAO), voor zover hier van belang, besluiten van het Uwv van 11 maart 2004 en 21 juli 2004 vernietigd en het Uwv opgedragen nieuwe besluiten te nemen. Bij besluit van 16 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv daaraan de volgende uitvoering gegeven.

1.1.1. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen een besluit van 16 april 2003 gegrond verklaard. Alsnog is aanvaard dat een deel van de reiskostenvergoeding die appellant van zijn werkgever heeft ontvangen (voor de periode tussen 1 oktober 2000 en 1 november 2002) niet valt onder zijn inkomsten in de zin van artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij is vermeld dat dit geen invloed heeft op de zogenoemde fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% die voor deze periode was vastgesteld.

1.1.2. Het Uwv heeft voorts bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant tegen een besluit van 30 maart 2004 gegrond verklaard. Alsnog is besloten dat:

- de WAO-uitkering van appellant, die per 22 augustus 1994 (einde wachttijd) was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van deze datum wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

45 tot 55%;

- de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid vanaf 1 juni 1997 35 tot 45% bedraagt.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Mede gelet op het verhandelde ter zitting, stelt de Raad vast dat in hoger beroep de vraag aan de orde is of het Uwv de reiskosten voor zover die voor rekening van appellant zijn gebleven in mindering had moeten brengen op zijn inkomsten in de zin van artikel 44 van de WAO. De Raad stelt verder vast dat appellant van mening is dat de werknemersbijdrage in de VUT- en pensioenpremies geen deel behoort uit te maken van de inkomsten in de zin van artikel 44 van de WAO en dat de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid hierdoor onjuist is berekend.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 12 september 2006 heeft overwogen, kunnen kosten die inherent zijn aan de uitoefening van een functie in mindering worden gebracht op de uit die functie ontvangen inkomsten bij de toepassing van de anticumulatieregeling zoals neergelegd in artikel 44 van de WAO. In dit geval heeft bezwaararbeidsdeskundige mr. J.J. van der Naald naar aanleiding van die uitspraak nader onderzocht - en in zijn rapport van 3 november 2006 uitvoerig en gespecificeerd uiteengezet - welke trajecten appellant in de periode oktober 2000 tot en met oktober 2002 heeft afgelegd in verband met zijn werk, alsook welke belaste en onbelaste vergoedingen hij daarvoor van zijn werkgever heeft ontvangen, en welke eigen bijdragen appellant verschuldigd was. Daarmee is naar het oordeel van de Raad voldoende onderzoek gedaan naar de reiskosten(vergoedingen) van appellant. De resultaten van dit onderzoek acht de Raad juist. Het Uwv heeft deze resultaten ten grondslag gelegd aan het betreffende deel van het bestreden besluit. De Raad oordeelt dat thans met het bestreden besluit in zoverre op juiste wijze uitvoering is gegeven aan zijn uitspraak van 12 september 2006.

4.2. Met betrekking tot het niet in mindering brengen van de werknemersbijdrage in de VUT- en pensioenpremie heeft de Raad in zijn uitspraak van 28 maart 2008, met kenmerk 05/4940 WAO, in een geding tussen partijen over de WAO-uitkering van appellant met ingang van 22 augustus 2004 overwogen dat hij geen onjuistheden heeft kunnen vaststellen wat betreft de vaststelling van appellants inkomsten uit arbeid. Voor de thans in geding zijnde periode ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat het Uwv desgevraagd is terug gekomen van eerdere besluitvorming, nadat de Raad in zijn uitspraak van

12 september 2006 had geoordeeld dat sprake was van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Van de wijze waarop het Uwv van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv daartoe niet in redelijkheid heeft kunnen komen.

4.3. Gezien het onder 4.1 en 4.2 overwogene zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM