Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
02-10-2009
Zaaknummer
08-4870 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad op goede gronden het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven. Geen schending van bepalingen van het EVRM of van beginselen van behoorlijke procesorde. Met de bezwaarverzekeringsarts is de Raad van oordeel dat de overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft tot een andersluidend oordeel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4870 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juli 2008, 08/729 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft na zijn laatstelijk verrichte werkzaamheden als tuinbouwmedewerker via een uitzendbureau een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Vanuit die situatie heeft hij zich op 8 mei 2006 ziek gemeld vanwege hypertensie en diabetes mellitus. Vervolgens heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Na zijn ziekmelding is appellant een aantal keren gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts. Na het onderzoek op 19 november 2007 door de verzekeringsarts

S.C. Kromokarijo, heeft deze namens het Uwv bij besluit van 19 november 2007 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 19 november 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 11 januari 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 november 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza van

10 januari 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen in de gedingstukken en ter zitting geen aanknopingspunten te zien om te twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts inzake de long- en schouderklachten van appellant. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen in diens conclusie dat niet kan worden gezegd dat appellant ten gevolge van zijn niet goed ingestelde bloedsuikers niet in staat zou zijn in het geheel niet te werken. Mitsdien heeft de rechtbank, nu van de kant van appellant geen nadere medische informatie in geding is gebracht, geen grond gezien om aan de juistheid van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts te twijfelen. Het Uwv heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden besloten appellant met ingang van 19 november 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij heeft geprocedeerd zonder rechtskundige hulp en zonder dossier en dat de rechtbank, met inachtneming van de bepalingen daaromtrent in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan appellant een dossier beschikbaar had dienen te stellen. Volgens appellant is de rechtbank niet ingegaan op zijn medische klachten door bijvoorbeeld een deskundige te benoemen en zijn de beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Op basis van de gedingstukken stelt de Raad vast dat appellant na indiening van het bezwaarschrift in de gelegenheid is gesteld het dossier in te zien, dan wel dat de stukken op zijn verzoek aan hem toegestuurd konden worden en dat appellant hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Voorts blijkt uit het bestreden besluit dat dit is gebaseerd op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Mirza van 10 januari 2008, waarin een samenvatting van de onderzoeksgegevens is opgenomen en wordt verwezen naar verkregen informatie van de huisarts van appellant. Deze stukken zijn als bijlagen bij het bestreden besluit aan appellant toegezonden. Het in beroep door het Uwv ingediende verweerschrift is door de rechtbank aan appellant toegezonden. Mitsdien is de Raad niet gebleken dat appellant niet beschikte over de gegevens waarop het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak is gebaseerd, terwijl door appellant evenmin concreet is aangegeven over welke gegevens hij niet de beschikking heeft gehad. Nu appellant blijkens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts nog uitsluitend onder behandeling was van de huisarts en de bezwaarverzekeringsarts over die gegevens beschikte, terwijl van de kant van appellant geen nadere medische gegevens in geding zijn gebracht of om inschakeling van een deskundige heeft verzocht, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad op goede gronden het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven. De enkele niet nader gepreciseerde stelling van appellant dat sprake zou zijn van schending van bepalingen van het EVRM of van beginselen van behoorlijke procesorde kan niet tot het oordeel leiden dat de aangevallen uitspraak op die gronden in rechte geen stand kan houden.

4.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijft de Raad het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en de daarop betrekking hebbende overwegingen. Naar aanleiding van de in hoger beroep door appellante overgelegde medische informatie van keuringsarts W.L. Lee, die appellant op 7 augustus 2009 heeft onderzocht, overweegt de Raad - in navolging van het commentaar van bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker van 18 augustus 2009 - dat hierin geen informatie over de datum in geding (19 november 2007) is opgenomen en dat de genoemde schouderklachten, de suikerziekte en astma meegewogen zijn bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Volgens de bezwaarverzekeringsarts was destijds informatie van de huisarts (van meerdere momenten) aanwezig en waren bij onderzoek van de schouder destijds geen bewegingsbeperkingen, evenmin als depressieve klachten. Met de bezwaarverzekeringsarts is de Raad van oordeel dat de overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft tot een andersluidend oordeel te komen.

4.3. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK