Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
02-10-2009
Zaaknummer
08-3884WAO+08-3886ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak 1: Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geschiktheid van de functies. Uitspraak 2: Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende medische grondslag. De Raad is niet gebleken dat appellante niet in staat is (tenminste één van) de geselecteerde WAO-functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3884 WAO + 08/3886 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2008, 07/3927 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 08/283 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

08/3884 WAO

1.1. Appellante heeft een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is door het Uwv herbeoordeeld. De verzekeringsarts heeft appellante onderzocht op het spreekuur. In verband met de vergeetachtigheid, beperkte concentratie en klachten van het bewegingsapparaat acht de verzekeringsarts appellante in staat arbeid te verrichten die niet ingewikkeld is, weinig concentratie vereist en van lichte en niet-vermoeiende aard is. De beperkingen van appellante zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante in staat moet worden geacht de door hem geselecteerde functies te verrichten en het verlies aan verdiencapaciteit van appellante berekend op 12%. Het Uwv heeft bij besluit van 12 juli 2007 de uitkering van appellante per 13 september 2007 ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.

2. De bezwaarverzekeringsarts heeft, na raadpleging van de behandelend neuroloog en de huisarts, bij heroverweging de FML op hoofdlijnen gehandhaafd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante terecht in staat is geacht de geselecteerde functies te verrichten en het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 0%. Het tegen het besluit van 12 juli 2007 gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat er geen reden is de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden en dat niet is gebleken dat appellante de geselecteerde functies niet kan verrichten. Het beroep is ongegrond verklaard.

4.1. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat zij door een combinatie van fysieke en psychische klachten niet in staat is te werken. Appellante stelt dat zij lichamelijk en psychisch meer beperkt is dan op de FML is aangenomen en niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten.

4.2. Het Uwv heeft onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige het ingenomen standpunt gehandhaafd.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen en maakt deze tot de zijne. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Appellante heeft gewezen op de informatie van psychiater Gülsaçan waarin is verklaard dat bij appellante sprake is van een whiplashsyndroom, functieverlies, cognitief-emotioneel afglijden, een secundair depressief beeld en levensmoeheid. Volgens de psychiater heeft appellante weinig restcapaciteit voor haar huishoudelijke taken, laat staan voor arbeid. De Raad overweegt dat de bezwaarverzekeringsarts de informatie van de huisarts, neuroloog en psychiater in de beoordeling heeft betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat uit de informatie van de psychiater niet duidelijk blijkt van een depressieve stoornis. De medische informatie van de psychiater en de huisarts wijst niet op een verkeerde inschatting van belastbaarheid van appellante. De psychiater heeft weliswaar een indicatie voor het gebruik van een antidepressivum gesteld, maar deze heeft betrekking op de gezondheidstoestand van appellante na de hier in geding zijnde datum. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat nadere raadpleging van de behandelend sector niet aangewezen was en dat sprake is van een voldoende medische grondslag.

5.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid gebaseerd is op tenminste drie functies. De Raad ziet onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante de geduide functies niet zou kunnen verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportages van 9 oktober 2007 en 10 juli 2009 voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor haar. Hetgeen appellante met betrekking tot de geschiktheid van de functies heeft gesteld, kan naar het oordeel van de Raad gelet op de in die rapportages gegeven motivering niet tot een ander oordeel leiden.

5.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

08/3886 ZW

6. Op 4 oktober 2007 heeft appellante zich ziekgemeld vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving in verband met nek- en schouderklachten. De verzekeringsarts heeft onderzoek verricht en geconcludeerd dat appellante in staat is de in het kader van de WAO geselecteerde functies te verrichten. Bij besluit van 31 oktober 2007 is de uitkering ingevolge de Ziektewet per 7 november 2007 beëindigd. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante gesproken op de hoorzitting en eveneens onderzoek verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante geschikt is voor de WAO-functies. Bij besluit van 7 december 2007 is het bezwaar ongegrond verklaard.

7. Bij de aangevallen uitspraak 2 is het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn conclusie goed onderbouwd en heeft appellante de onjuistheid van die conclusie niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van de informatie van de psychiater en de huisarts en heeft geconcludeerd dat hoewel sprake is van psychische beperkingen, bij het selecteren van de functies in het kader van de WAO met deze beperkingen in voldoende mate rekening is gehouden.

8. Appellante heeft gesteld - evenals in de WAO-procedure - dat zij door haar fysieke en psychische klachten niet in staat is te werken. Gesteld is dat zij lichamelijk en psychisch meer beperkt is en niet in staat is de geselecteerde WAO-functies te verrichten. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat appellante per 7 november 2007 in staat is de in het kader van de WAO geselecteerde functies te verrichten.

9. De Raad overweegt als volgt.

9.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt niet met medische informatie onderbouwd. Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat appellante niet in staat is (tenminste één van) de geselecteerde WAO-functies te verrichten.

9.2. Uit het voorgaande volgt dat aangevallen uitspraak 2 moet worden bevestigd.

10. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van

J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

30 september 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) J.M. Tason Avila.

CVG