Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
02-10-2009
Zaaknummer
07-4485 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Vaststellend dat appellant in hoger beroep uitsluitend gronden van medische aard tegen het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit heeft aangevoerd, ziet de Raad met de rechtbank onvoldoende steun voor appellants stelling dat de bij hem bestaande medische beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. De Raad heeft daarbij gelet op het geheel van de medische stukken, ook die zijn geproduceerd in het kader van de door appellant geformuleerde aansprakelijkheidsstelling ter zake van door hem in verband met het bedrijfsongeval geleden materiële en immateriële schade. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 10 december 2008 heeft de Raad de zenuwarts/neuropsychiater Boeykens opgedragen als onafhankelijke deskundige van verslag en advies te dienen. Deze deskundige komt ter beantwoording van vragen van de Raad tot de conclusie dat appellant op de datum die in dit geding van belang is, 17 mei 2004, geen als ziekte of gebrek aan te merken afwijkingen had in zijn gezondheidstoestand. De deskundige kan zich verenigen met de van de zijde van het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant. De diagnose van een frontaal syndroom kan volgens de deskundige niet bij appellant worden gesteld. Voorts is de deskundige van oordeel dat appellant op 17 mei 2004 in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden, verbonden aan de geduide functies. De Raad overweegt dat het onderzoek van de deskundige Boeykens zorgvuldig en volledig is. De Raad volgt het oordeel van de deskundige als neergelegd in diens beantwoording van de door de Raad gestelde vragen. Gelet op de resultaten van dat onderzoek heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht in stand gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal dan ook worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4485 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 20 juni 2007, 05/1674 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding onder nummer 07/4484 WAO, plaatsgevonden op 10 december 2008. Appellant is verschenen met bijstand van zijn advocaat mr. E.P.W.A. Bink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen en de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter. Op verzoek van appellant is de klinisch neuropsycholoog dr. E.T.J. Matser, gehoord.

Het onderzoek is heropend. Op verzoek van de Raad heeft de zenuwarts/neuropsychiater D.H.J. Boeykens een rapport, gedateerd 4 maart 2009, uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft wederom plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Bink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, die als gevolg van een bedrijfsongeval was uitgevallen uit zijn werk van productiemedewerker, ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft bij besluit van 18 maart 2004 die uitkering met ingang van 17 mei 2004 ingetrokken op de grond dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum op minder dan 15% moet worden gesteld. Dit besluit berust op een medisch en arbeidskundig onderzoek. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 31 augustus 2005 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is genomen na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat is verricht door de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke en een arbeidskundig onderzoek, verricht door de bezwaararbeidsdeskundige A. Goumare.

2.1. De rechtbank heeft geen reden gezien de medische grondslag van het bestreden besluit, als blijkend uit de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), voor onjuist te houden. De rechtbank heeft enerzijds in haar oordeel betrokken hetgeen van de zijde van appellant was aangevoerd over zijn gezondheidstoestand onder verwijzing naar rapportages, onderscheidenlijk brieven van onder anderen Matser, de behandelend psychiater F. Kaya, de neurologen E. Oosterhoff en S.J. Mellema, en de psychiaters B.J. van Eyk en R. Graveland. Anderzijds heeft zij in haar oordeel betrokken de reactie van bezwaarverzekeringsarts De Kanter op het rapport van Matser en het rapport van de door haar als onafhankelijke deskundige ingeschakelde neuropsycholoog G. Kraaijenbrink. De rechtbank heeft voorts gewezen op de vaste jurisprudentie van de Raad, bijvoorbeeld CRvB 7 november 2007, LJN BB7474, waarin besloten ligt dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te worden gevolgd. De rechtbank achtte geen feiten en omstandigheden aanwezig op grond waarvan in het onderhavige geval van dat uitgangspunt af moest worden geweken.

2.2. Het Uwv heeft eerst in beroep de vereiste onderbouwing van de medische geschiktheid van de voor appellant geduide functies gegeven. Daarom heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. In hoger beroep keert appellant zich tegen de aangevallen uitspraak met gronden gelijk aan die welke hij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de aannemelijkheid van zijn door Matser onderschreven stelling dat het bij hem aanwezige zogenoemde frontaal syndroom ertoe leidt dat er bij hem op psychische gronden zwaardere beperkingen voor het verrichten van arbeid aanwezig zijn dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststellend dat appellant in hoger beroep uitsluitend gronden van medische aard tegen het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit heeft aangevoerd, ziet de Raad met de rechtbank onvoldoende steun voor appellants stelling dat de bij hem bestaande medische beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. De Raad heeft daarbij gelet op het geheel van de medische stukken, ook die zijn geproduceerd in het kader van de door appellant geformuleerde aansprakelijkheidsstelling ter zake van door hem in verband met het bedrijfsongeval geleden materiële en immateriële schade.

4.2. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 10 december 2008 heeft de Raad de zenuwarts/neuropsychiater Boeykens opgedragen als onafhankelijke deskundige van verslag en advies te dienen. Deze deskundige komt ter beantwoording van vragen van de Raad tot de conclusie dat appellant op de datum die in dit geding van belang is, 17 mei 2004, geen als ziekte of gebrek aan te merken afwijkingen had in zijn gezondheidstoestand. De deskundige kan zich verenigen met de van de zijde van het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant. De diagnose van een frontaal syndroom kan volgens de deskundige niet bij appellant worden gesteld. Voorts is de deskundige van oordeel dat appellant op 17 mei 2004 in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden, verbonden aan de geduide functies.

4.3. De Raad overweegt dat het onderzoek van de deskundige Boeykens zorgvuldig en volledig is. De Raad volgt het oordeel van de deskundige als neergelegd in diens beantwoording van de door de Raad gestelde vragen. Gelet op de resultaten van dat onderzoek heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht in stand gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal dan ook worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bedee en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.C.A. de Wit.

EK