Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9016

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
02-10-2009
Zaaknummer
08-1966 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering op de grond dat appellant sinds 1 mei 2000 gedetineerd was. Weigering om de WAO-uitkering van appellant te heropenen op de gronden dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden en appellants situatie van TBS-er met dwangverpleging onveranderd is gebleven. Geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden waardoor het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 29 januari 2001. Geen sprake van i nvrijheidsstelling als bedoeld in het eerste lid van artikel 47b van de WAO . Aangezien zich ook geen uitzonderingsituatie voordoet als bedoeld in artikel 47b, vierde lid, van de WAO heeft het Uwv terecht heeft geweigerd over te gaan tot heropening van de WAO-uitkering. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad vormt de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen grond voor het doorbreken van besluiten waartegen in rechte niet is opgekomen. In meergenoemde uitspraak van 18 juni 2004 heeft de Raad geoordeeld dat de wetgever heeft kunnen besluiten dat de opname op grond van de Wet Bopz en de opname in een psychiatrisch ziekenhuis met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het Sr meer gelijkenis vertonen met een reguliere ziekenhuisopname dan met detentie en dat TBS en de hieraan voorafgaande detentie in aansluiting op een gevangenisstraf meer gelijkenis vertoont met de situatie van detentie. Vervolgens was de Raad van oordeel dat de keuze van de wetgever, verblijf in een TBS-inrichting en de hieraan voorafgaande voorlopige hechtenis wel, en de Bopz-opname en de opname op grond van artikel 37, eerste lid, van het Sr niet onder de werking van de Wsg te brengen, in het algemeen de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Op grond van het voorgaande kan de longstay-status in een TBS-inrichting daarin geen verandering brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1966 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 18 februari 2008, 07/838

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Smit, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Appellant noch zijn gemachtigde is - met voorafgaand bericht - verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 18 oktober 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij arrest van 18 februari 1997 van het Gerechtshof te Leeuwarden is appellant veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast is hem de maatregel TBS met dwangverpleging opgelegd.

1.2. Bij besluit van 29 januari 2001 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 juni 2000 ingetrokken op de grond dat appellant sinds 1 mei 2000 gedetineerd was. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt waardoor het in rechte is komen vast te staan. Op 13 februari 2007 heeft appellant om heropening van zijn WAO-uitkering verzocht onder verwijzing naar ’s-Raads uitspraak van 18 juni 2004 (LJN AP4680). Bij besluit van 16 april 2007, zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 5 juli 2007, heeft het Uwv geweigerd om de WAO-uitkering van appellant te heropenen op de gronden dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden en appellants situatie van TBS-er met dwangverpleging onveranderd is gebleven.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij was met het Uwv van oordeel dat in het geval van appellant niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden waardoor het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 29 januari 2001.Vervolgens heeft de rechtbank gewezen op voormelde uitspraak van 18 juni 2004 waarin de Raad de keuze van de wetgever aanvaardbaar heeft geacht om de maatregel van TBS in aansluiting op een gevangenisstraf gelijk te stellen met een gevangenisstraf. Onder overneming van dat oordeel van de Raad heeft de rechtbank appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat er geen redelijke grond meer is om nog langer onderscheid te maken tussen zijn situatie en de situatie zoals genoemd in het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid. Appellant is in aansluiting aan zijn gevangenisstraf opgenomen in een TBS-kliniek en verblijft ook nu nog in een dergelijke kliniek. Volgens de rechtbank wil dat dus zeggen dat van een invrijheidsstelling als bedoeld in het eerste lid van artikel 47b van de WAO geen sprake is. Aangezien zich ook geen uitzonderingsituatie voordoet als bedoeld in artikel 47b, vierde lid, van de WAO was de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd over te gaan tot heropening van de WAO-uitkering.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het zijns inziens te ver gaat om nieuwe jurisprudentie niet aan te merken als nieuwe feiten en omstandigheden en er voldoende redenen zijn om zijn situatie van TBS-er met een longstay-status gelijk te stellen aan mensen die op grond van de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) of op grond van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in een psychiatrisch ziekenhuis verblijven.

4. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. Hij onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad vormt de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen grond voor het doorbreken van besluiten waartegen in rechte niet is opgekomen. In meergenoemde uitspraak van 18 juni 2004 heeft de Raad geoordeeld dat de wetgever heeft kunnen besluiten dat de opname op grond van de Wet Bopz en de opname in een psychiatrisch ziekenhuis met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het Sr meer gelijkenis vertonen met een reguliere ziekenhuisopname dan met detentie en dat TBS en de hieraan voorafgaande detentie in aansluiting op een gevangenisstraf meer gelijkenis vertoont met de situatie van detentie. Vervolgens was de Raad van oordeel dat de keuze van de wetgever, verblijf in een TBS-inrichting en de hieraan voorafgaande voorlopige hechtenis wel, en de Bopz-opname en de opname op grond van artikel 37, eerste lid, van het Sr niet onder de werking van de Wsg te brengen, in het algemeen de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Op grond van het voorgaande kan de longstay-status in een TBS-inrichting daarin geen verandering brengen.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

De uitspraak is gegeven door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

JL