Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9008

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
05-10-2009
Zaaknummer
08-243 AWBZ
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling eigen bijdrage. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 9 mei 2007 (LJN BA7247) is de Raad van oordeel dat in het bepaalde bij en krachtens de AWBZ geen wettelijke grondslag wordt gevonden voor het niet opleggen, matigen of kwijtschelden van inkomensafhankelijke eigen bijdragen als de onderhavige. Hiermee is gegeven dat de in de brieven van de staatssecretaris van 3 mei 2004 en 18 augustus 2004 vastgestelde kwijtscheldingsregeling moet worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Dit beleid is door De Goudse overgenomen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en blijft de rechterlijke toetsing als gevolg daarvan beperkt tot de vraag of het beleid consistent wordt toegepast. Dit betekent dat er geen ruimte is voor beoordeling van het standpunt van appellant dat het beleid tot willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel leidt. De Raad ziet geen grond om de kwijtscheldingsregeling (niettemin) ook op hem toe te passen. Dit betekent dat de in het besluit van 18 februari 2005 gehandhaafde weigering van de kwijtschelding van de opgelegde eigen bijdrage van € 1.042,32 in stand blijft. Het met terugwerkende kracht tot 29 december 2003 in rekening brengen van het verhoogde uurtarief van € 11,80, kan naar het oordeel van de Raad evenmin slagen. Met betrekking tot de berekening van de eigen bijdrage van € 171,71 die appellant gedurende 2004 per periode van vier weken voor zorg zonder verblijf is verschuldigd overweegt de Raad dat - ook - in hoger beroep niet is gebleken dat niet op juiste wijze toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 16d, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/243 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 november 2007, 06/9438 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

Zorgverzekeraar Cares Gouda N.V. (hierna: De Goudse), gevestigd te Gorinchem

Datum uitspraak: 16 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Goudse heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 24 juni 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) thuiszorg.

1.2. Via een factuur van 9 oktober 2002 heeft het Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten b.v. (hierna: CAK) appellant meegedeeld dat hij over de periode van 25 december 2000 tot en met 28 juli 2002 een eigen bijdrage verschuldigd is voor een bedrag van in totaal € 1.636,32 in verband met de aan hem over die periode verleende thuiszorg.

1.3. Bij brief van 28 augustus 2004 heeft appellant het CAK onder meer meegedeeld dat hij de door hem over 2002 verschuldigde eigen bijdrage tot een bedrag van € 594,-- heeft betaald, en dat hij het resterende bedrag van € 1.042,32 blijkens berichtgeving in de media niet hoeft te betalen. Vervolgens heeft het CAK appellant bij besluit van 8 september 2004 bericht dat de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) heeft besloten dat cliënten, die in de jaren 1999 tot en met 2001 thuiszorg hebben ontvangen en waarvoor tot 1 augustus 2004 nog geen eigen bijdrage voor AWBZ-zorg zonder verblijf (thuiszorg) kon worden opgelegd, geen eigen bijdrage meer over die jaren krijgen opgelegd. Gebleken is dat appellant vóór 1 augustus 2004 facturen heeft ontvangen voor de eigen bijdrage zodat de regeling niet op hem van toepassing is. De in rekening gebrachte eigen bijdrage wordt daarom niet kwijtgescholden.

1.4. Bij besluit van 27 september 2004 heeft het CAK appellant meegedeeld dat de eigen bijdrage voor zorg zonder verblijf voor 2004 vanaf periode 1, aanvangend op 29 december 2003, € 11,80 per uur bedraagt. Het verzamelinkomen van appellant over het peiljaar 2002 is vastgesteld op € 27.015,-- zodat de maximale bijdrage voor hem in 2004 € 171,71 per periode van vier weken is. Via een factuur van gelijke datum heeft CAK appellant meegedeeld dat hij over de periode van 29 december 2003 tot en met 1 augustus 2004 een eigen bijdrage verschuldigd is van een bedrag van in totaal € 1.313,46 in verband met de aan hem over die periode geleverde thuiszorg.

1.5. Bij besluit van 18 februari 2005 heeft De Goudse de bezwaren tegen de besluiten van 8 september 2004 en 27 september 2004 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 18 februari 2005 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat hij in aanmerking dient te komen voor kwijtschelding van de verschuldigde eigen bijdrage over 2001. Volgens hem leidt de kwijtscheldingsregeling tot willekeur en tot strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voorts kan appellant zich niet verenigen met de verhoging van het uurtarief naar € 11,80 per uur met terugwerkende kracht tot 29 december 2003 en met de berekening van de door hem verschuldigde eigen bijdrage over 2004.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Artikel 6, derde lid, van de AWBZ luidde ten tijde van belang als volgt: “Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking worden gesteld dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan: de bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort en de zorg en voorzieningen die verstrekt wordt en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van de verzekerde en diens echtgenoot.(…)”.

4.1.2. Aan artikel 6, derde lid, van de AWBZ is uitvoering gegeven door middel van de vaststelling van het Bijdragebesluit zorg.

4.1.3. Ingevolge artikel 16a, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg draagt de verzekerde van 18 jaar of ouder bij in de kosten van zorg, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ.

4.1.4. Ingevolge artikel 16d, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg zoals deze bepaling per 29 december 2003 luidt (Stb. 2003, 504) bedraagt de bijdrage voor de zorg, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, € 11,80 per uur.

4.1.5. Artikel 16d, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg bepaalt dat de verzekerde per vier weken aan bijdragen als bedoeld in het eerste lid niet meer verschuldigd is dan eendertiende van 15% van het bijdrageplichtige inkomen, verminderd met € 140,--, met dien verstande dat hij ten minste € 16,-- en ten hoogste € 528,20 is verschuldigd.

4.1.6. De staatssecretaris heeft bij brief van 3 mei 2004 aan de Tweede Kamer meegedeeld dat - vanwege opgetreden vertragingen bij de inning van eigen bijdragen thuiszorg - is besloten de eigen bijdragen zorg zonder verblijf (voorheen thuiszorg) kwijt te schelden aan cliënten wier gegevens niet binnen één jaar na aanlevering door de thuiszorginstelling bij het CAK in de gemeentelijke basisadministratie konden worden geverifieerd (Tweede Kamer, 2003-2004, 26 631, nr. 92). Bij brief aan de Tweede Kamer van 18 augustus 2004 heeft de staatssecretaris aangegeven dat het in de brief van 3 mei 2004 ingenomen standpunt wordt genuanceerd in die zin dat het moet gaan om cliënten die in de jaren 1999 tot en met 2001 thuiszorg hebben ontvangen en aan wie tot op heden geen eigen bijdrage kon worden opgelegd. Daarbij is ook aangegeven dat het om een eenmalige actie gaat (Tweede Kamer, 2003-2004, 26 631, nr. 102).

4.1.7. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 9 mei 2007 (LJN BA7247) is de Raad van oordeel dat in het bepaalde bij en krachtens de AWBZ geen wettelijke grondslag wordt gevonden voor het niet opleggen, matigen of kwijtschelden van inkomensafhankelijke eigen bijdragen als de onderhavige. Hiermee is gegeven dat de in de brieven van de staatssecretaris van 3 mei 2004 en 18 augustus 2004 vastgestelde kwijtscheldingsregeling moet worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Dit beleid is door De Goudse overgenomen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en blijft de rechterlijke toetsing als gevolg daarvan beperkt tot de vraag of het beleid consistent wordt toegepast. Dit betekent dat er geen ruimte is voor beoordeling van het standpunt van appellant dat het beleid tot willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel leidt.

4.1.8. Niet in geschil is dat appellant bij brief van 9 oktober 2002 is meegedeeld dat hij over onder meer de periode van 25 december 2000 tot en met 31 december 2001 een eigen bijdrage is verschuldigd in verband met door hem ontvangen thuiszorg. Hiermee staat vast dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van het beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om de kwijtscheldingsregeling (niettemin) ook op hem toe te passen. Dit betekent dat de in het besluit van 18 februari 2005 gehandhaafde weigering van de kwijtschelding van de opgelegde eigen bijdrage van € 1.042,32 in stand blijft.

4.2. Het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen het met terugwerkende kracht tot

29 december 2003 in rekening brengen van het verhoogde uurtarief van € 11,80, kan naar het oordeel van de Raad evenmin slagen. Weliswaar zijn bijzondere gevallen denkbaar waarin een strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard, zoals het bepaalde in het Bijdragebesluit zorg, in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat deze op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn, maar deze situatie doet zich naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval niet voor. Blijkens de gedingstukken bestond voor appellant redelijkerwijs geen aanleiding om te veronderstellen dat het tot 29 december 2003 van toepassing zijnde uurtarief voor zorg zonder verblijf voor het jaar 2004 ongewijzigd zou worden vastgesteld. De omstandigheid dat appellant in december 2003 geen voorlichtingsbrief van het CAK over de tariefwijziging zou hebben ontvangen kan daaraan niet afdoen.

4.3. Met betrekking tot de berekening van de eigen bijdrage van € 171,71 die appellant gedurende 2004 per periode van vier weken voor zorg zonder verblijf is verschuldigd overweegt de Raad dat - ook - in hoger beroep niet is gebleken dat niet op juiste wijze toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 16d, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg.

4.4. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

4.5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en H.C.P. Venema en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

NK