Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
05-10-2009
Zaaknummer
08-313 WVG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een vervoersvoorziening in de vorm van een aangepaste auto. Naar het oordeel van de Raad zijn de medische adviezen van Argonaut en Scio op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Het advies van Argonaut berust op informatie uit een huisbezoek met bewegingsobservatie, dossieronderzoek en medische informatie van de revalidatiearts. De adviezen van Scio zijn tot stand gekomen na dossieronderzoek, huisbezoek en observatie, het opvragen van aanvullende informatie bij de revalidatiearts en na telefonisch contact met een ergonoom. Voorts deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat de advisering onvolledig is of dat de conclusies onjuist zijn. Van een ter zitting door de gemachtigde van appellante geopperde verslechtering van de reeds vele jaren bestaande medische situatie in de periode van drie maanden tussen de advisering door Scio en het nemen van het besluit op bezwaar is de Raad uit de door appellante ingebrachte informatie van de behandelend arts niet gebleken. De Raad verwerpt de grief dat onvoldoende is onderzocht of het technisch mogelijk is om appellante in de rolstoel te laten zitten tijdens het vervoer in de rolstoeltaxi. De grief over de garantie van de maximale duur van een rit treft geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/313 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

op het hoger beroep van

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 december 2007, 07/3476, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Bonsen-Lemmers, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2009. Voor appellante is verschenen mr. Bonsen-Lemmers. Het College heeft zich - met kennisgeving - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is bekend met bekkeninstabilieit en chronische pijnklachten waardoor zij beperkingen in onder meer haar vervoer buitenshuis ondervindt. In verband met deze beperkingen heeft appellante op 29 juli 2005 in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) bij het College een aanvraag om een vervoersvoorziening in de vorm van een aangepaste auto ingediend. Bij deze aanvraag heeft appellante vermeld dat zij kort kan lopen met krukken en dat zij kort kan staan. Zitten is niet goed mogelijk.

1.2. Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft het College de aanvraag afgewezen, omdat appellante met behulp van haar scootmobiel, het aanvullend openbaar vervoer binnen de gemeente en een financiële tegemoetkoming in de kosten van het vervoer buiten de gemeente in staat wordt geacht in voldoende mate te kunnen deelnemen aan het maatschappelijke en sociale verkeer. Het College ziet geen reden om in het geval van appellante de zogeheten hardheidsclausule toe te passen.

1.3. Naar aanleiding van het tegen het besluit van 10 augustus 2005 gemaakte bezwaar heeft Argonaut Advies BV (hierna: Argonaut) op 10 februari 2006 op verzoek van het College een medisch advies uitgebracht. In dit advies is onder meer geconcludeerd dat appellante is aangewezen op een vervoersvoorziening en dat het collectief aanvullend vervoer in combinatie met de scootmobiel de goedkoopste adequate voorziening is. Hierbij is van belang dat zij gezeten in haar rolstoel vervoerd dient te worden. De Argonautarts heeft hierbij aangegeven dat hij afwijkt van het in zijn ogen niet onderbouwde standpunt van de behandelend revalidatiearts, dat appellante moet beschikken over een auto waarin haar orthopedische autostoel kan worden geplaatst.

1.4. Op verzoek van het College heeft vervolgens SCIO Consult B.V. (hierna: Scio) op 7 juli 2006 en 30 januari 2007 medische adviezen uitgebracht. Hierin is geconcludeerd dat een bruikleenauto niet de enige mogelijkheid is voor appellante om zich te verplaatsen. Appellante kan met haar orthopedische kussen in een daartoe voor haar geselecteerde en aangepaste rolstoel gebruik maken van het collectief aanvullend openbaar vervoerssysteem, waarbij wel de noodzaak van vertreden na ongeveer

45 minuten in acht genomen moet kunnen worden.

1.5. Bij besluit van 12 april 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

10 augustus 2005 ongegrond verklaard. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat, gezien de adviezen van Argonaut en Scio, genoegzaam is aangetoond dat appellante voor het vervoer niet uitsluitend is aangewezen op een auto in bruikleen. Deze adviezen zijn volgens het College zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd. Met de toegekende combinatie van voorzieningen voor het vervoer in haar directe woon- en leefomgeving en voor buiten de regio is appellante volgens het College in staat om in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 12 april 2007 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de medische advisering aan de hieraan te stellen eisen van zorgvuldigheid. Voorts acht de rechtbank de advisering niet onvolledig en de conclusies niet onjuist. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de mededelingen van het College met betrekking tot het zekeren van rolstoelen in de rolstoeltaxi en de garantie dat de reistijd voor appellante beperkt blijft tot 45 minuten. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat appellante binnen de regio geen contacten heeft, noch dat de contacten buiten de regio uitsluitend door bezoek van appellante in stand kunnen worden gehouden, zodat niet aannemelijk is dat appellante door het ontbreken van mogelijkheden haar sociale contacten buiten de regio door persoonlijk bezoek te onderhouden, in een sociaal isolement geraakt.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd, dat ten onrechte is geconcludeerd dat zij met gebruikmaking van een orthopedisch kussen in een daartoe voor haar geselecteerde en aangepaste rolstoel in staat moet worden geacht gedurende 45 minuten te kunnen zitten. Daarnaast voldoet de medische advisering volgens appellante niet aan de te stellen eisen van zorgvuldigheid. Nagelaten is om onderzoek uit te voeren naar de vraag of het technisch mogelijk is om appellante in de rolstoel te laten zitten tijdens het vervoer. Evenmin is onderzocht of er een aanpassing voor een autostoel kan worden gemaakt.

3.2. Het College heeft in hoger beroep aangevoerd, dat de vervoerder heeft aangegeven dat er rekening mee kan worden gehouden dat er maximaal 45 minuten mag worden gereisd, als daarom wordt verzocht. Wat het zekeren van de rolstoel betreft heeft de arts Timmermans van Scio overleg gepleegd met de ergonoom S. van den Oever. Deze heeft aangegeven dat er hulpmiddelen beschikbaar zijn om een rolstoel geschikt te maken voor fixatie aan de bodem van het vervoer.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg dienen deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg bepaald is bij de verordening regels dient vast te stellen.

4.1.2. De raad van de gemeente Haarlemmermeer heeft uitvoering gegeven aan artikel 2, eerste lid, van de Wvg door vaststelling van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Haarlemmermeer 2002 (hierna: de Verordening).

4.1.3. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Verordening kan de door burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening bestaan uit een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer.

4.1.4. Artikel 3.1, aanhef en onder b sub 1, van de Verordening bepaalt dat de door burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan uit een voorziening in natura in de vorm van een al dan niet aangepaste bruikleenauto. Blijkens de toelichting bij deze bepaling gaat het bij een bruikleenauto om een voorziening waarmee alle vervoersbehoeften kunnen worden ingevuld, omdat het OV en een aanvullend systeem geen of onvoldoende mogelijkheden bieden.

4.1.5. Ingevolge artikel 3.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening kan een gehandicapte voor een vervoersvoorziening als in artikel 3.1 onder b in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 3.1 onder a onmogelijk maken. In dit artikel is in het systeem van vervoersvoorzieningen derhalve het primaat toegekend aan het collectief vervoer.

4.2. Naar het oordeel van de Raad zijn de medische adviezen van Argonaut en Scio op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Het advies van Argonaut berust op informatie uit een huisbezoek met bewegingsobservatie, dossieronderzoek en medische informatie van de revalidatiearts. De adviezen van Scio zijn tot stand gekomen na dossieronderzoek, huisbezoek en observatie, het opvragen van aanvullende informatie bij de revalidatiearts en na telefonisch contact met een ergonoom. Voorts deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat de advisering onvolledig is of dat de conclusies onjuist zijn.

4.2.1. Uit de onderzoeksbevindingen van Scio blijkt dat appellante in staat geacht moet worden om ongeveer 45 minuten achtereen in een aangepaste rolstoel te zitten. De verklaring van de behandelend revalidatiearts, dat zij - ook in een eigen auto - niet langer dan 20 minuten achtereen kan zitten vanwege dan optredende pijnklachten, doet hier niet aan af. Die specialist is hierbij blijkens zijn verklaring afgegaan op mededelingen van appellante zelf, terwijl appellante aan de arts van Scio heeft meegedeeld, dat zij in haar (inmiddels total loss verklaarde) auto 45 tot 60 minuten achtereen kon rijden, waarna zij 15 minuten pleegde te pauzeren. Van een ter zitting door de gemachtigde van appellante geopperde verslechtering van de reeds vele jaren bestaande medische situatie in de periode van drie maanden tussen de advisering door Scio en het nemen van het besluit op bezwaar is de Raad uit de door appellante ingebrachte informatie van de behandelend arts niet gebleken.

4.2.2. De Raad verwerpt de grief dat onvoldoende is onderzocht of het technisch mogelijk is om appellante in de rolstoel te laten zitten tijdens het vervoer in de rolstoeltaxi. Het College heeft meegedeeld dat bij het aangepast vervoer rolstoelen gezekerd kunnen worden en de ergonomisch adviseur van Scio heeft aangegeven dat er hulpmiddelen zijn waarmee een rolstoel kan worden vastgezet. Appellante heeft geen concrete informatie verstrekt waaruit blijkt dat dit niet juist is. Uit de door appellante overgelegde “Code veilig vervoer rolstoelinzittenden” blijkt juist dat er systemen zijn waarmee rolstoelen en de daarin gezeten passagiers veilig kunnen worden vastgezet tijdens het vervoer. Hiermee kan bij de selectie van een rolstoel rekening worden gehouden.

4.2.3. Ook de grief over de garantie van de maximale duur van een rit treft geen doel. De exploitant van het aangepast vervoer heeft het College bevestigd, dat in het geval van appellante rekening kan worden gehouden met een maximale ritduur van 45 minuten, als dat als beperking wordt aangegeven. Nu appellante de juistheid hiervan heeft betwist enkel op grond van haar verwachting dat dit in de praktijk niet zal werken, maar dit niet met concrete gegevens heeft onderbouwd, kan de Raad daaraan geen gevolg verbinden.

4.3. De conclusie uit het voorgaande is dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en H.C.T. Venema en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

NK