Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
01-10-2009
Zaaknummer
07-3668 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geen medische grond om een urenbeperking aan te nemen. Voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige ziet de Raad geen aanleiding. De Raad is van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, inpakker en productiemedewerker industrie voor appellante medisch geschikt moeten worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3668 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 mei 2007, 06/2095

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een rapport van psychiater A.R. Hertroijs toegezonden, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd.

Namens appellante is daarop een commentaar van Hertroijs toegezonden, waarop door het Uwv is gereageerd.

Namens appellante is een brief van de Riagg Roermond toegezonden, waarop door het Uwv is gereageerd.

Namens appellante zijn nog stukken van het CAD Midden- en Noord- Limburg en stukken van de Sociale Verzekeringsbank toegezonden, waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door H.J.A. Aerts werkzaam op het kantoor van mr. Delescen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 22 juni 2006 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk was berekend naar een mate van 80 tot 100%, per 23 augustus 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was.

1.2. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 november 2006 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft het Uwv bij gewijzigd besluit op bezwaar van 31 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 23 augustus 2006 op arbeidskundige gronden herzien en berekend naar 15 tot 25%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een toereikende medische grondslag en dat daarbij voldoende geschikte functies in aanmerking zijn genomen. De rechtbank heeft evenwel overwogen dat het Uwv ten onrechte de omvang van de maatgevende arbeid (zijnde ruim 40 uur per week) heeft gemaximeerd naar 38 uur per week, reden waarom zij het beroep gegrond heeft verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten, omdat het hanteren van het juiste aantal uren resulteerde in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse als waarop het bestreden besluit is gebaseerd.

3. In hoger beroep heeft appellante tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat zij vanwege haar psychische en energetische klachten niet in staat is de door de arbeidsdeskundige geduide functies gedurende een volledige werkweek te vervullen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een expertiserapport van psychiater Hertroijs van 11 september 2007 toegezonden ter zake van een door hem bij haar op 21 augustus 2007 verricht onderzoek. Zijn conclusie is dat appellante vanwege haar klachten en stoornissen beperkt belastbaar is. Hertroijs vermeldt onder meer: “Ik ben het eens met het belastbaarheidsprofiel zoals weergegeven in de FML van 08.03.06: aangewezen op vaste werkwijze, niet afgeleid, geen deadlines/pieken, beperkt in samenwerken, geen zwaar lichamelijke arbeid. Daaraan dient te worden toegevoegd een urenbeperking: [appellante] heeft een energetisch probleem (haar hoofdklacht van moeheid en het aansluitend dagverhaal) en kan op grond daarvan niet voltijds werken. Er is daarbij een preventief motief: haar ineens voltijds laten werken maakt de kans groot dat ze dat niet redt door een toename van klachten. Ze is gebaat en slechts in staat werk op te pakken via een geleidelijk proces van opbouw, op geleide van haar klachten te beginnen met 3 halve dagen per week (3 keer 4 uur).”

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het hoger beroep, zoals namens appellante ter zitting bevestigd, betreft de vraag of voor appellante per 23 augustus 2006 al dan niet een urenbeperking moet gelden. De Raad concludeert op grond van de hem ter beschikking staande stukken dat hiertoe op deze datum geen medische noodzaak aanwezig was.

4.2. De verzekeringsarts J.T.H.M. Jagt heeft in maart 2006 op basis van anamnese, eigen onderzoek en informatie van de huisarts beperkingen aangenomen in verband met de psychische klachten en het activiteitenniveau van appellante, waarbij is aanvaard dat zij is aangewezen op vaste, bekende werkwijzen, op werk waarbij zij niet wordt afgeleid, geen intensief contact heeft met anderen, zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en werk waarbij zij (anders dan telefonisch of schriftelijk) niet in conflict kan komen met agressieve of onredelijke mensen. Voorts heeft hij (naast beperkingen voor frequent reiken en voor klimmen) aanvaard dat zij niet ’s avonds en ’s nachts kan werken. Daartoe heeft hij in aanmerking genomen dat er geen psychiatrisch toestandsbeeld is en dat de beperkingen vooral voortvloeien uit een verhoogd kwetsbare persoonlijkheid, waarbij appellante kan profiteren van een goed gestructureerd dagritme met eenduidige, weinig complexe en overzichtelijke bezigheden zonder veel spanning.

4.3. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J Tjen aanvullende informatie ingewonnen bij sociaal psychiatrisch verpleegkundige R. Friederichs, verbonden aan de Riagg Midden-Limburg, bij wie appellante op dat moment onder behandeling was. Deze heeft bericht dat de klachten van appellante langdurig en hardnekkig zijn en dat appellante stabilisering wenst van wat haar vertrouwd is. Tjen heeft vervolgens toegelicht waarom er, als rekening wordt gehouden met de aanvaarde beperkingen in de FML, bij lichte werkzaamheden overbelasting wordt voorkomen en er geen medische grond is om een urenbeperking aan te nemen. In zijn in hoger beroep gegeven reacties op de namens appellante overgelegde medische rapporten heeft hij nader toegelicht waarom arbeidsdeelname gedurende een volledige werkdag geen afbreuk hoeft te doen aan verder herstel.

4.4. De Raad overweegt dat een urenbeperking pas aan de orde komt, indien met het vaststellen van andere beperkingen ten aanzien van – zoals in dit geval – het persoonlijk en sociaal functioneren niet voldoende recht wordt gedaan aan de mogelijkheden en beperkingen van betrokkene. In de onderhavige situatie, waarin tevens eigen keuze, persoonlijkheid en sociale omstandigheden een rol spelen, is de Raad er niet van overtuigd dat op of rondom de datum van 23 augustus 2006 een urenbeperking medisch noodzakelijk was. De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met hetgeen bezwaarverzekeringsarts Tjen in zijn commentaar van 24 juni 2008 heeft overwogen. De Raad tekent daarbij aan dat, anders dan waarvan Hertroijs is uitgegaan, van een geïndiceerde begeleide dagbesteding gedurende vijf halve dagen per week op de in geding zijnde datum nog geen sprake was. De door partijen kort vóór de zitting ingediende stukken van medische aard die betrekking hebben op zowel (ruim) eerdere als (ruim) latere tijdstippen leiden de Raad niet tot een ander oordeel. Voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige, zoals door appellante voorgesteld, ziet de Raad in deze situatie geen aanleiding.

4.5. De Raad is voorts van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, inpakker en productiemedewerker industrie, uitgaande van een juiste vaststelling van de medische beperkingen, voor appellante medisch geschikt moeten worden geacht.

4.6. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL