Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8993

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
01-10-2009
Zaaknummer
08-5013 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad aanleiding te twijfelen aan het oordeel van Koerselman. De omstandigheid dat de gemachtigde van appellant meent dat aan Koerselman in de schadezaak een andere vraagstelling had moeten worden voorgelegd doet niet af aan de geldigheid van diens conclusies voor het onderhavige geding. Met betrekking tot de passendheid van de functies in relatie tot het opleidingsniveau van appellant onderschrijft de Raad hetgeen de bezwaararbeidsdeskundige hierover heeft opgemerkt in zijn rapport van 20 februari 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5013 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2008, 07/1115 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2009, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Kramer en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving in verband met rugklachten en psychische klachten sedert 1991 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die sedert 13 augustus 2003 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Op 14 november 2005 heeft appellant zich met psychische klachten toegenomen arbeidsongeschikt gemeld vanaf 7 juli 2005.

1.2. Op 29 maart 2006 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts, die op 3 mei 2006 een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op 3 mei 2006 rapport uitgebracht, waarna bij besluit van 9 mei 2006 aan appellant is meegedeeld dat de uitkering niet wordt herzien omdat zijn arbeidsongeschiktheid na 7 juli 2005 niet is toegenomen.

2. Op 28 maart 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts rapport uitgebracht en geconcludeerd dat het oordeel van de verzekeringsarts kan worden gevolgd. Bij zijn conclusie heeft hij een rapport van 29 november 2006 betrokken, opgemaakt door prof. dr. G.F. Koerselman in het kader van een schadeprocedure. Bij besluit van 2 april 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 mei 2006 ongegrond verklaard.

3.1. Tegen het besluit van 2 april 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld. Daarbij heeft hij onder meer gewezen op een in opdracht van de rechtbank door psychiater G. Nabarro op 12 april 2001 uitgebracht rapport, waarin van ernstige psychische problemen wordt gesproken en op een verklaring van zijn huisarts van 15 januari 2008 die het niet aannemelijk acht dat de toestand sedertdien evident is veranderd. Appellant is van mening dat aan Koerselman een onjuiste vraagstelling is voorgelegd. Met de lichamelijke klachten van appellant is, mede gelet op een schrijven van zijn fysiotherapeut, te weinig rekening gehouden. Ten slotte heeft appellant ook een aantal arbeidskundige grieven aangevoerd.

3.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het bestreden besluit is gebaseerd op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. In de omstandigheid dat het bestreden besluit pas in de loop van de beroepsprocedure van een draagkrachtige arbeidskundige grondslag is voorzien heeft de rechtbank aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen, maar de rechtsgevolgen ervan geheel in stand te laten. De rechtbank heeft voorts bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

4.1. Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen en is van mening dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Appellant heeft onder meer aangevoerd dat van de zijde van het Uwv de gezondheidstoestand van appellant vanaf het rapport van psychiater Nabarro van 12 april 2001 ongewijzigd wordt geacht, maar dat bij de in geding zijnde beoordeling heel andere conclusies worden getrokken met betrekking tot de te stellen beperkingen. Appellant houdt vol dat aan Koerselman een onjuiste vraagstelling is voorgelegd en dat zijn lichamelijke beperkingen zijn onderschat en dat de geduide functies om een aantal redenen niet passend zijn.

4.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat in essentie geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Daaraan voegt hij nog het volgende toe.

5.2. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat hij de gezondheidstoestand van appellant op 7 juli 2005, de in geding zijnde datum, niet gewijzigd acht ten opzichte van 13 augustus 2003, de datum waarop de uitkering werd verlaagd naar de klasse 45 tot 55%. Blijkens het goed gemotiveerde rapport van Koerselman verschilde de situatie van appellant ten tijde van zijn onderzoek op 16 november 2006 niet wezenlijk van die van medio 2003 en sluiten de per medio 2003 door het Uwv gestelde beperkingen goed aan bij zijn bevindingen eind 2006. Uit het rapport van Koerselman kan, zoals de bezwaarverzekeringsarts terecht stelt, ook worden geconcludeerd dat er tussentijds geen (tijdelijke) verslechtering van de toestand van appellant is opgetreden. Koerselman vindt het voorts aannemelijk dat de gezondheidssituatie van appellant sedert het onderzoek van Nabarro in 2001 wezenlijk is verbeterd en hij acht in 2003 noch in 2006 een ernstige psychiatrische stoornis aanwezig. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad aanleiding te twijfelen aan het oordeel van Koerselman. De omstandigheid dat de gemachtigde van appellant meent dat aan Koerselman in de schadezaak een andere vraagstelling had moeten worden voorgelegd doet niet af aan de geldigheid van diens conclusies voor het onderhavige geding.

5.3. Hetgeen door de rechtbank ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is overwogen is van de zijde van appellant niet wezenlijk weersproken. Met betrekking tot de passendheid van de functies in relatie tot het opleidingsniveau van appellant onderschrijft de Raad hetgeen de bezwaararbeidsdeskundige hierover heeft opgemerkt in zijn rapport van 20 februari 2008.

6. Hetgeen in 5.1 tot en met 5.3 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden, voor zover aangevochten.

7. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

(get.) C.P.M. van der Kerkhof.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM