Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8990

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
02-10-2009
Zaaknummer
08-3962 WIA + 08-7171 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad acht niet genoegzaam gemotiveerd waarom geen beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn aan te nemen tengevolge van de psychische klachten. In zijn antwoord op de hem gestelde vragen stelt de psychiater een diagnose en geeft te kennen dat de klachten van appellante uit die diagnose goed verklaarbaar zijn. De Raad acht de motivering op dit punt niet voldoende draagkrachtig. Het standpunt dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante niet duurzaam is, acht de Raad niet voldoende draagkrachtig onderbouwd. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH1896, heeft geoordeeld, dient de inschatting van de verzekeringsarts en, in bezwaar, van de bezwaarverzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Het Uwv dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Verklaart het beroep tegen het besluit gegrond en vernietigt dat besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3962 WIA en 08/7171 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2008, 07/1923

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft het Uwv nadere stukken ingezonden, waaronder een nieuwe beslissing op bezwaar van 8 december 2008.

Bij brief van 25 juni 2009 zijn namens appellante nadere stukken toegezonden en zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2009. Namens appellante is verschenen mr. Kramer voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante is op 30 april 1998 uitgevallen wegens enkelklachten voor haar werk als kassiere en controleuse voor 28 uur per week. In verband hiermee is aan haar met ingang van 29 april 1999 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, aanvankelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, later naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Deze uitkering is ingetrokken per 1 januari 2002. Nadien heeft appellante hervat in schoonmaakwerk, waaruit zij met ingang van 17 oktober 2003 werkloos is geworden.

1.3. Per 1 januari 2004 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld wegens psychische klachten.

1.4. Bij besluit van 12 december 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 29 december 2005 een recht is ontstaan op een WGA-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.5. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 december 2006. Bij besluit van 11 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Zij heeft daartoe het volgende overwogen.

2.2. Nu appellante ter zitting van de rechtbank heeft erkend dat zij op 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is geworden, zijn op haar de bepalingen van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van toepassing en niet die van de WAO.

2.3. De stelling van appellante dat haar op grond van artikel 37 van de WAO een WAO-uitkering toekomt, kan niet worden gevolgd, omdat er op 1 januari 2004 geen sprake was van een lopende WAO-uitkering, zodat dat artikel geen toepassing kan vinden. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het, anders dan appellante veronderstelt, niet uitmaakt dat de WAO-uitkering is ingetrokken wegens inkomsten uit arbeid van appellante.

2.4. Het standpunt van appellante dat aan haar een IVA-uitkering had moeten worden toegekend in plaats van een WGA-uitkering, brengt mee, zo heeft de rechtbank vervolgens overwogen, dat het geschil nog slechts gaat over de beantwoording van de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante tijdelijk is in de zin van artikel 5 van de Wet WIA, zoals het Uwv stelt, dan wel duurzaam en volledig in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zoals appellante betoogt. De rechtbank heeft in dat verband in de eerste plaats geoordeeld dat er geen reden is om het medisch onderzoek, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, onzorgvuldig te achten. Ook achtte de rechtbank adequaat gemotiveerd waarom in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in voldoende mate rekening wordt gehouden met de lichamelijke klachten van appellante. Wat de psychische beperkingen van appellante betreft, heeft de rechtbank als haar oordeel te kennen gegeven dat de betreffende bezwaarverzekeringsarts weliswaar een expertise heeft gevraagd van de psychiater W.M.J. Hassing, maar vervolgens zonder adequate motivering is voorbijgegaan aan de bevindingen en conclusies van deze psychiater door geen beperkingen aan te nemen ten aanzien van de aspecten concentreren van aandacht, verdelen van de aandacht en herinneren. Temeer omdat de betreffende bezwaarverzekeringsarts ook is afgeweken van de bevindingen van de verzekeringsarts die het primaire medische onderzoek heeft verricht, en uit de informatie van de behandelende psychiaters naar voren kwam dat appellante chaotisch en vergeetachtig is en dat sprake is van dissociatieve amnesie, heeft de rechtbank het bestreden besluit, wat het medisch aspect betreft, onvoldoende draagkrachtig onderbouwd geacht en dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.5. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat zij zich kan vinden in het standpunt van het Uwv dat er geen aanknopingspunten zijn om te oordelen dat herstel is uitgesloten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA, maar dat de conclusie van de betreffende bezwaarverzekeringsarts dat geen sprake is van duurzaamheid als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet WIA onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij gaat het immers, zo stelde de rechtbank, om het antwoord op de vraag of er op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Zij heeft in dit verband overwogen dat het Uwv bij zaken als deze gebruik maakt van een (interne) richtlijn - te weten: een beoordelingskader, getiteld “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” - en dat het Uwv bij het nemen van besluiten als het onderhavige deze richtlijn in acht dient te nemen. Bij de beantwoording van de vraag of op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat, heeft het Uwv in de eerste plaats, in overeenstemming met stap 2 van de richtlijn, bezien in hoeverre er verbetering in het eerste jaar kan worden verwacht. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de rapportage van de betreffende bezwaarverzekeringsarts evenwel niet worden afgeleid dat deze daarbij het oog heeft gehad op de periode van een jaar, aanvangend op de datum in geding 29 december 2005. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de betreffende bezwaarverzekeringsarts zonder nadere onderbouwing is voorbijgegaan aan de rapportage van psychiater Hassing en de informatie van de behandelend psychiaters. Psychiater Hassing heeft aangegeven dat er therapeutische opties zijn in de vorm van intensieve therapie, maar ook dat de behandeling waarschijnlijk vrij complex en mogelijk langdurig zal zijn. Uit de informatie van de behandelend psychiaters blijkt dat appellante nauwelijks heeft gereageerd op therapie en dat prognostisch moeilijk valt in te schatten hoe de klachten zich zullen ontwikkelen. Ook op deze grond komt het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Zij heeft in de eerste plaats gesteld zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat artikel 37 van de WAO niet van toepassing is. Ook heeft zij aangegeven dat de overweging van de rechtbank dat haar WAO-uitkering is ingetrokken wegens inkomsten uit arbeid op een onjuiste feitelijke grondslag is gebaseerd. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat zij zich ook niet kan vinden in de op 8 december 2008 genomen nieuwe beslissing op bezwaar, omdat daarin naar haar opvatting wederom ten onrechte wordt aangenomen dat geen sprake is van duurzaamheid van haar volledige arbeidsongeschiktheid. Zij meent tevens dat opnieuw haar psychische beperkingen zijn onderschat.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 8 december 2008 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Awb acht de Raad het beroep mede gericht tegen het besluit van 8 december 2008.

4.2.1. Naar het oordeel van de Raad kunnen de grieven van appellante, voor zover deze zich richten tegen de aangevallen uitspraak, niet slagen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat artikel 37 van de WAO, gelet op de bewoordingen van dat artikel, niet van toepassing kan zijn, alleen al niet omdat appellante op de datum waarop zij met psychische klachten uitviel, al lang geen WAO-uitkering meer ontving. Omdat het antwoord op de vraag of de eerder aan appellante toegekende WAO-uitkering wel of niet is ingetrokken omdat appellante zou hebben gewerkt en uit die werkzaamheden inkomsten heeft verworven, geen betekenis heeft voor de uitkomst van het onderhavige geding laat de Raad deze vraag buiten beschouwing.

4.2.2. Nu de grieven van appellante tegen de aangevallen uitspraak geen doel treffen, dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

4.3. Bij het besluit van 8 december 2008, waarover de Raad thans dient te oordelen, heeft het Uwv wederom het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 december 2006 ongegrond verklaard. Het besluit is wederom gebaseerd op het standpunt dat de ten aanzien van appellante aangenomen medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen van appellante geen sprake is. Het besluit is onder meer gebaseerd op een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts van 20 oktober 2008. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft, onder verwijzing naar het rapport van de psychiater Hassing en naar de bevindingen uit het verrichte primaire verzekeringsgeneeskundig onderzoek, betoogd dat er, anders dan de rechtbank heeft gemeend, geen reden is om de FML van 29 mei 2007 aan te passen. Met betrekking tot de vraag naar de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante heeft deze bezwaarverzekeringsarts uit zijn eerdere rapport van 29 mei 2007 geciteerd en aangegeven dat de woorden ‘binnen een jaar’ in dat citaat moeten worden gelezen als het eerste jaar, derhalve het jaar dat start op 29 december 2005. Er is dan naar zijn oordeel geen sprake van duurzame arbeidsbeperkingen.

4.4. Appellante heeft hiertegen gemotiveerd aangevoerd dat nog steeds ten onrechte geen psychische beperkingen worden aangenomen in de FML en nog steeds ten onrechte de duurzaamheid van haar arbeidsbeperkingen wordt ontkend.

4.5.1. Het oordeel van de Raad.

4.5.2. De grieven van appellante tegen het besluit van 8 december 2008 treffen naar het oordeel van de Raad doel. Met de rapportage van de betreffende bezwaarverzekeringsarts van 20 oktober 2008 acht de Raad niet genoegzaam gemotiveerd waarom, anders dan uit de expertise van psychiater Hassing lijkt te volgen, geen beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn aan te nemen tengevolge van de psychische klachten. In zijn antwoord op de hem gestelde vragen stelt de psychiater een diagnose en geeft te kennen dat de klachten van appellante uit die diagnose goed verklaarbaar zijn. Hoewel de psychiater daarbij opmerkt dat de somberheid als ook de concentratieproblemen en de vergeetachtigheid zorg en verantwoordelijkheid oproepen bij de ouders van appellante, lijkt de psychiater niet te ontkennen dat dergelijke klachten in zekere mate aanwezig zijn. De Raad acht de motivering op dit punt niet voldoende draagkrachtig.

4.5.3. Ook het standpunt dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante niet duurzaam is, acht de Raad niet voldoende draagkrachtig onderbouwd. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH1896, heeft geoordeeld, dient de inschatting van de verzekeringsarts en, in bezwaar, van de bezwaarverzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Voor de bezwaarverzekeringsarts, die in bezwaar een inschatting dient te maken, geldt dat deze, rekening houdend met alle medische gegevens die in bezwaar aan de orde zijn, dient te beoordelen of de inschatting van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid gehandhaafd moet blijven. Dit toepassende in het onderhavige geval, is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts, gelet op de voorhanden informatie van de psychiater Hassing en de behandelend psychiater, nog steeds onvoldoende het standpunt heeft onderbouwd dat er een meer dan geringe kans op herstel bestaat in het eerste jaar en daarna. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst de Raad naar de overwegingen van de rechtbank terzake, weergegeven aan het slot van 2.5, waarachter hij zich stelt.

4.5.4. Het onder 4.5.2 en 4.5.3 overwogene leidt ertoe dat het beroep voor zover geacht te zijn gericht tegen het besluit van 8 december 2008 gegrond moet worden verklaard en dat besluit moet worden vernietigd.

4.6. Appellante heeft in hoger beroep verzocht het Uwv te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Nu het Uwv opnieuw dient te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 12 december 2006 en nog niet vaststaat dat dat nieuwe besluit zal leiden tot hogere aanspraken van appellante, komt dat verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking. Het Uwv dient bij het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar tevens te beslissen op het verzoek om vergoeding van wettelijke rente.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, met dien verstande dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 december 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uwv aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

EK