Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
02-10-2009
Zaaknummer
08-3083 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM5140, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Evenals in beroep heeft appellant in hoger beroep aangevoerd dat het College ten onrechte geen beslissing heeft genomen op de in zijn brief van 24 mei 2006 vermelde bezwaren. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank hieraan in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen aandacht heeft geschonken. Deze beroepsgrond slaagt. De brief van appellant van 24 mei 2006 is een reactie op het opschortingsbesluit van 18 mei 2006 en dient, gelet op de bewoordingen ervan, zonder meer als een bezwaarschrift tegen dat besluit te worden aangemerkt. In zijn besluiten van 5 oktober 2006 en 26 januari 2007 heeft het College zich evenwel beperkt tot het geven van een oordeel over de bezwaren van appellant tegen de intrekking en de terugvordering van de bijstand. De rechtbank heeft weliswaar terecht opgemerkt dat appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het opschortingsbesluit, maar - ten onrechte - geen consequenties verbonden aan het ontbreken van een beslissing op dat bezwaar. Verder heeft de rechtbank, hoewel het besluit van 26 januari 2007 daarop geen betrekking heeft, de opschorting toch in het kader van dat besluit inhoudelijk beoordeeld. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil en in aanmerking genomen dat appellant zowel in de bezwaarfase als in beroep en in hoger beroep de opschorting van de bijstand gemotiveerd heeft bestreden en dat het College hierop heeft gereageerd, ziet de Raad aanleiding met gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien op de in 4.4 aangegeven wijze. Hij overweegt hierover verder het volgende. De Raad volgt het College voorts in zijn standpunt dat de gevraagde informatie niet binnen de afgesproken termijn is verstrekt en dat dit appellant kan worden verweten. Appellant was dan ook op 15 mei 2006 in verzuim. Het College is derhalve bevoegd het recht op bijstand van appellant met ingang van 15 mei 2006 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB op te schorten. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik zou kunnen worden gemaakt. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank - en in de overwegingen waarop dat oordeel rust - dat het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de bijstand met ingang van 15 mei 2006 en dat het College in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 26 januari 2007 derhalve terecht in stand gelaten. Geen ruimte voor inwilliging van het verzoek van appellant om veroordeling van het College tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3083 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 april 2008, 06/2494 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2009. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.D. Corte Bernal, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 15 december 1985 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Eind 1989 heeft appellant het College meegedeeld dat zijn broer hem heeft aangeboden deel te nemen aan een bedrijf, dat zijn inbreng hierin zal bestaan dat een ruimte op zijn woonadres ten behoeve van dat bedrijf beschikbaar wordt gesteld en dat hij op beperkte schaal tegen een vergoeding van f. 50,-- per maand adviserende en administratieve werkzaamheden voor het bedrijf zal verrichten. Bij brief van 12 februari 1990 is vanwege de gemeente Apeldoorn aan appellant bericht dat hij in loondienst tegen een vergoeding werkzaamheden voor het bedrijf van zijn broer mag verrichten.

1.2. Op 8 mei 2006 heeft in het kader van een heronderzoek naar het recht van appellant op bijstand met appellant een gesprek plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is de betrokkenheid van appellant bij het bedrijf van zijn broer ter sprake gekomen en is aan appellant gevraagd vóór 15 mei 2006 nadere inlichtingen te verstrekken.

1.3. Bij besluit van 18 mei 2006 heeft het College het recht van appellant op bijstand met ingang van 1 mei 2006 opgeschort op de grond dat appellant de gevraagde inlichtingen niet heeft verstrekt. Aan appellant is een hersteltermijn gegeven - aflopend op 25 mei 2006 - om de inlichtingen alsnog te verstrekken dan wel om het bedrijf van zijn broer van zijn adres te laten uitschrijven. Bij brief van 24 mei 2006 heeft appellant op het opschortingsbesluit gereageerd.

1.4. Bij besluit van 2 juni 2006 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2006 ingetrokken op de grond dat appellant zijn verzuim niet binnen de gegeven termijn heeft hersteld.

1.5. Bij besluit van 23 juni 2006 heeft het College de over de maand mei 2006 aan appellant betaalde bijstand van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 850,84. Daarbij heeft het College opgemerkt dat de bijstand over deze maand per ongeluk is doorbetaald.

1.6. Bij besluit van 5 oktober 2006 heeft het College de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 2 juni 2006 en 23 juni 2006 ongegrond verklaard.

1.7. Appellant heeft tegen het besluit van 5 oktober 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank. Hangende de behandeling van dat beroep heeft het College op 26 januari 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij de intrekkingsdatum nader is vastgesteld op 15 mei 2006 en waarbij met wijziging van het bedrag van de terugvordering de periode waarover wordt teruggevorderd nader is bepaald op de periode van 15 mei 2006 tot en met 31 mei 2006. Het College heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant pas op 15 mei 2006 in verzuim was. De rechtbank heeft het beroep van appellant mede gericht geacht tegen het besluit van 26 januari 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2006 niet ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van

26 januari 2007 gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de terugvordering, dat besluit in zoverre vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven. Het beroep tegen het besluit van 26 januari 2007 is voor het overige ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat het griffierecht aan appellant dient te worden vergoed.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover deze betrekking heeft op het besluit van 26 januari 2007.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het voor deze zaak van belang zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

De opschorting

4.1. Evenals in beroep heeft appellant in hoger beroep aangevoerd dat het College ten onrechte geen beslissing heeft genomen op de in zijn brief van 24 mei 2006 vermelde bezwaren. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank hieraan in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen aandacht heeft geschonken. Deze beroepsgrond slaagt. De brief van appellant van 24 mei 2006 is een reactie op het opschortingsbesluit van 18 mei 2006 en dient, gelet op de bewoordingen ervan, zonder meer als een bezwaarschrift tegen dat besluit te worden aangemerkt. In zijn besluiten van 5 oktober 2006 en 26 januari 2007 heeft het College zich evenwel beperkt tot het geven van een oordeel over de bezwaren van appellant tegen de intrekking en de terugvordering van de bijstand. De rechtbank heeft weliswaar terecht opgemerkt dat appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het opschortingsbesluit, maar - ten onrechte - geen consequenties verbonden aan het ontbreken van een beslissing op dat bezwaar. Verder heeft de rechtbank, hoewel het besluit van 26 januari 2007 daarop geen betrekking heeft, de opschorting toch in het kader van dat besluit inhoudelijk beoordeeld. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

4.2. Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil en in aanmerking genomen dat appellant zowel in de bezwaarfase als in beroep en in hoger beroep de opschorting van de bijstand gemotiveerd heeft bestreden en dat het College hierop heeft gereageerd, ziet de Raad aanleiding met gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien op de in 4.4 aangegeven wijze. Hij overweegt hierover verder het volgende.

4.3. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde inlichtingen met betrekking tot het bedrijf van de broer van appellant van belang zijn voor een goede beoordeling van (de voortzetting van) het recht op bijstand van appellant. Anders dan appellant acht de Raad dat standpunt niet onjuist. Daarbij is met name van belang dat het bedrijf van de broer van appellant is gevestigd op het adres van appellant en dat appellant heeft aangegeven administratieve werkzaamheden voor dat bedrijf te verrichten. De Raad volgt het College voorts in zijn standpunt dat de gevraagde informatie niet binnen de afgesproken termijn is verstrekt en dat dit appellant kan worden verweten. Appellant was dan ook op 15 mei 2006 in verzuim. Het College is derhalve bevoegd het recht op bijstand van appellant met ingang van 15 mei 2006 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB op te schorten. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik zou kunnen worden gemaakt.

4.4. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het besluit van 26 januari 2007 voor vernietiging in aanmerking komt voor zover daarbij is nagelaten een beslissing te nemen op het bezwaar tegen de opschorting. De Raad zal op dat bezwaar beslissen. Het besluit van 18 mei 2006 zal worden herroepen in die zin dat de datum van opschorting van het recht van appellant op bijstand wordt bepaald op 15 mei 2006.

De intrekking

4.5. In het opschortingsbesluit is appellant een termijn gegeven voor herstel van het hiervoor bedoelde verzuim, aflopend op 25 mei 2006. Appellant heeft de gevraagde gegevens niet verstrekt. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank - en in de overwegingen waarop dat oordeel rust - dat het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de bijstand met ingang van 15 mei 2006 en dat het College in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

De terugvordering

4.6. Met het besluit van 26 januari 2007 heeft het College de periode waarover wordt teruggevorderd gewijzigd in die zin dat de kosten van bijstand worden teruggevorderd over de periode van 15 mei 2006 tot en met 31 mei 2006. Het terugvorderingsbesluit is aldus in overeenstemming gebracht met het gewijzigde intrekkingsbesluit. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 26 januari 2007 derhalve terecht in stand gelaten.

Het verzoek om schadevergoeding

4.7. In de sfeer van de uitbetaling van de bijstand, die nog is doorgelopen tot

1 juni 2006, heeft appellant door de besluitvorming van het College geen schade geleden. Gelet voorts op de uitkomst van deze procedure, is er geen ruimte voor inwilliging van het verzoek van appellant om veroordeling van het College tot schadevergoeding. Het verzoek zal worden afgewezen.

Slotoverwegingen

4.8. Behoudens wat betreft de opschorting komt de aangevallen uitspraak, voor zover deze door appellant is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de opschorting;

Verklaart het beroep gegrond voor zover het de opschorting betreft;

Vernietigt het besluit van 26 januari 2007 voor zover daarbij is nagelaten een beslissing te nemen op het bezwaar tegen de opschorting;

Herroept het besluit van 18 mei 2006 in die zin dat de datum van opschorting van de bijstand wordt bepaald op 15 mei 2006;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover door appellant aangevochten, voor het overige;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) C. de Blaeij.

CB