Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
01-10-2009
Zaaknummer
08-905 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen spaargelden slechts dan bij de vermogensvaststelling buiten aanmerking te blijven wanneer de betrokkene, mede aan de hand van verifieerbare gegevens, aannemelijk heeft gemaakt dat de opbouw van het vermogen door besparingen op de bijstand zijn gerealiseerd. Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/905 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2008, 06/3839 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. van Seumeren, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Seumeren. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand, berekend naar de norm van een alleenstaande, aanvankelijk ingevolge de Algemene Bijstandswet, nadien ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en vanaf 1 januari 2004 ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een melding van het inlichtingenbureau op 19 oktober 2005 dat uit een bestandskoppeling met de belastingdienst is gebleken dat appellante beschikt over een meer dan bescheiden vermogen heeft de afdeling Controle & Opsporing van de sociale dienst Amsterdam onderzoek verricht. Dit onderzoek bestond onder meer uit een verhoor van appellante op 3 en 11 november 2005, waarbij appellante heeft verklaard dat zij tot 2002 spaarde “in een oude sok” en dat zij in verband met de invoering van de euro het gespaarde bedrag in december 2001 en januari 2002 op vier bankrekeningen heeft gestort, waaronder op een nieuw geopende rekening bij de Fortis bank, de ABN AMRO bank en de ING. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 15 november 2005. Op basis van deze resultaten heeft het College bij besluit van 9 maart 2006 de bijstand over de periode van 1 januari 2002 tot en met 11 oktober 2002 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 9.891,03 bruto van appellante teruggevorderd. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellante in strijd met de inlichtingenverplichting heeft gehandeld door geen opgave te doen van haar vermogen, dat per 1 januari 2002 is vastgesteld op € 15.691,27. Dit vermogen overschreed de destijds geldende grens van het vrij te laten vermogen van € 4.820,-- met € 10.871,27. Met inachtneming van de zogeheten interingsnorm van 1 ½ heeft het College bepaald dat appellante over de periode van 1 januari 2002 tot en met 11 oktober 2002 geen recht op bijstand heeft. Bij besluit van 15 juni 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 maart 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 juni 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 42 van de Abw, voor zover hier van belang, is bepaald dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge artikel 52, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw wordt niet als vermogen in aanmerking genomen: spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarover bijstand wordt ontvangen.

4.2.1. De Raad stelt vast dat appellante niet bestrijdt dat zij gedurende de hier te beoordelen periode van 1 januari 2002 tot en met 11 oktober 2002 beschikte over een vermogen dat de voor haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen met € 10.871,27 overschreed. Evenmin bestrijdt appellante dat zij in december 2001 en januari 2002 in totaal fl. 26.500,-- op haar bankrekeningen heeft gestort, waaronder op de rekeningen van de in 1.2 genoemde banken, waarvan zij geen melding heeft gemaakt aan het College. Appellante heeft aangevoerd dat dit vermogen is ontstaan doordat zij tijdens de periode waarin zij bijstand heeft ontvangen zuinig heeft geleefd en in staat was om fl. 155,-- per maand te sparen, zodat dit vermogen ingevolge artikel 52, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw niet in aanmerking mag worden genomen.

4.2.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen spaargelden slechts dan bij de vermogensvaststelling buiten aanmerking te blijven wanneer de betrokkene, mede aan de hand van verifieerbare gegevens, aannemelijk heeft gemaakt dat de opbouw van het vermogen door besparingen op de bijstand zijn gerealiseerd. Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd. Aan de hand van de periodieke contante opnames van bedragen, die veelal varieerden van fl. 500,-- tot fl. 1.000,-- per keer, in de jaren 1992 tot en met 2001 van de wel opgegeven rekening bij de Postbank, zoals die blijken uit de in hoger beroep ingebrachte afschriften van die rekening, heeft appellante naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat zij tijdens de periode waarin zij bijstand heeft ontvangen een bedrag van fl. 26.500,-- heeft gespaard. Daaruit blijkt immers niet dat het uitgavenpatroon van appellante zodanig was dat zij, zoals gesteld, elke maand een bedrag van fl. 155,-- overhield, dat zij “in een oude sok” bewaarde. De Raad merkt nog op dat appellante vanaf medio 1998 beschikte over een aan haar Postbankrekening gekoppelde spaarrekening waarop zij in de periode tot eind 2001 geregeld bedragen heeft gestort en opgenomen, zodat niet direct valt in te zien waarom appellante, zoals zij heeft verklaard, “in een oude sok” spaarde.

4.3. Aangezien appellante het bestaan van haar vermogen eind 2001 en de rekeningen bij de in 1.2 genoemde banken, waarop het grootste deel van dit vermogen is gestort niet aan het College heeft gemeld, en het hier gaat om gegevens waarvan het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat deze van invloed waren op het recht op bijstand, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.2.2 en 4.3 is overwogen was het College bevoegd om de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. Het College heeft in overeenstemming met zijn beleid tot intrekking van bijstand besloten. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van intrekking had behoren af te zien.

4.5. Hieruit vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Bij het besluit van 15 juni 2006 heeft het College zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om van deze bevoegdheid geen gebruik te maken omdat niet is gebleken dat de terugvordering ernstige en/of onaanvaardbare lichamelijke of geestelijke gevolgen voor appellante heeft. De omstandigheid dat appellante, zoals in hoger beroep is gesteld, veel last heeft van de in haar ogen onrechtvaardige terugvordering, dat zich daarin uit dat zij elke dag overgeeft, acht de Raad ontoereikend voor het oordeel dat de terugvordering als zodanig voor haar onaanvaardbare gevolgen in bovenbedoelde zin heeft, omdat appellante deze stelling niet (medisch) heeft onderbouwd. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, geheel of gedeeltelijk van terugvordering had behoren af te zien.

4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2009.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) B.E. Giesen.

RB