Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8960

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
08-599 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. De Raad overweegt in de eerste plaats dat de verzekeringsartsen een voldoende uitgebreid en diepgaand onderzoek hebben verricht, waarbij ook kennis is genomen van informatie van de behandelend sector. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de klachten van appellante, waaronder de pijn- en vermoeidheidsklachten. Op basis van hun bevindingen hebben de verzekeringsartsen diverse psychische en fysieke beperkingen aangenomen. Mede in het licht hiervan heeft de Raad geen grond om mee te kunnen gaan met de grief van appellante dat haar klachten onvoldoende serieus zijn genomen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat voor appellante te geringe beperkingen zijn aangenomen. De beschikbare medische gegevens bevatten daartoe geen aanknopingspunten. Anders dan appellante stelt voert ook het gegeven dat haar klachten naderhand zijn geclassificeerd als fibromyalgie niet tot de conclusie dat haar beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, wordt de belastbaarheid niet bepaald door de gestelde diagnose, maar door de objectiveerbaarheid van de klachten. Appellante in hoger beroep ingebrachte medische gegevens geen nieuwe gezichtspunten bieden ten aanzien van de voor appellante op de datum in geding van toepassing te achten beperkingen. De Raad heeft geen grond om die zienswijze voor onjuist te houden. In het voorgaande ligt besloten dat ook de Raad geen aanleiding ziet voor inwilliging van het verzoek van appellante tot inschakeling van een onafhankelijk deskundige. Voor de Raad is genoegzaam vast komen te staan dat appellante ten tijde hier van belang voor haar lichte administratieve werk geschikt was te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/599 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 december 2007, 07/656 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Türkkol, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2009. Voor appellante is verschenen mr. Türkkol. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 14 juli 2006, in bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 15 december 2006, heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 15 augustus 2006 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Gegeven de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling, berust die beslissing primair op het standpunt dat appellante per 15 augustus 2006 geschikt is te achten voor het door haar laatstelijk - in een omvang van 40 uur per week - verrichte werk als administratief medewerkster.

2. De rechtbank heeft zich met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen.

3. Appellante heeft de door haar in eerdere stadia van de procedure naar voren gebrachte grieven in hoger beroep herhaald. Zij betwist dat zij met de door haar ervaren pijn- en vermoeidheidsklachten in staat is nog in een omvang van 40 uur per week werkzaam te zijn. Voorts stelt ze dat haar eigen werk meer omvatte dan louter administratieve taken: zij moest ook boodschappen doen en schoonmaken. Appellante meent dat haar klachten nimmer serieus zijn genomen en dat derhalve haar belastbaarheid is overschat. Zij meent voorts dat haar klachten door de inmiddels gestelde diagnose fibromyalgie zijn geobjectiveerd. Appellante acht het in de rede te liggen dat een onafhankelijk deskundige wordt geraadpleegd.

4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat de verzekeringsartsen een voldoende uitgebreid en diepgaand onderzoek hebben verricht, waarbij ook kennis is genomen van informatie van de behandelend sector. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de klachten van appellante, waaronder de pijn- en vermoeidheidsklachten. Op basis van hun bevindingen hebben de verzekeringsartsen diverse psychische en fysieke beperkingen aangenomen. Mede in het licht hiervan heeft de Raad geen grond om mee te kunnen gaan met de grief van appellante dat haar klachten onvoldoende serieus zijn genomen.

4.2. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat voor appellante te geringe beperkingen zijn aangenomen. De beschikbare medische gegevens bevatten daartoe geen aanknopingspunten. Anders dan appellante stelt voert ook het gegeven dat haar klachten naderhand zijn geclassificeerd als fibromyalgie niet tot de conclusie dat haar beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, wordt de belastbaarheid niet bepaald door de gestelde diagnose, maar door de objectiveerbaarheid van de klachten. De bezwaarverzekeringsarts M. Keus heeft in zijn rapport van 21 juli 2009 gemotiveerd aangegeven dat (ook) de namens appellante in hoger beroep ingebrachte medische gegevens geen nieuwe gezichtspunten bieden ten aanzien van de voor appellante op de datum in geding van toepassing te achten beperkingen. De Raad heeft geen grond om die zienswijze voor onjuist te houden. In het voorgaande ligt besloten dat ook de Raad geen aanleiding ziet voor inwilliging van het verzoek van appellante tot inschakeling van een onafhankelijk deskundige.

4.3. Tevens is de Raad van oordeel dat appellante terecht geschikt is geacht voor de door haar laatstelijk verrichte eigen werkzaamheden als administratief medewerkster. Daarbij overweegt de Raad dat hij geen aanleiding heeft de omschrijving van dat eigen werk in het arbeidskundig rapport van 13 juli 2006 voor onjuist te houden. In dat rapport heeft de arbeidsdeskundige aangegeven dat appellante vergezeld was van een goede kennis die voor haar tolkte en dat hij, nu appellante zich niet kon verenigen met de uitkomst van de schatting, het aangewezen achtte om zekerheidshalve nogmaals de inhoud van het eigen werk met appellante door te nemen. Daarbij heeft appellante desgevraagd nogmaals verklaard dat er geen andere taken waren dan de genoemde administratieve taken: zij hoefde geen schoonmaakwerk o.i.d. te verrichten, alleen licht administratief werk. Appellante is er niet in geslaagd aan de hand van concrete gegevens aannemelijk te maken dat deze aan haar eigen - herhaalde - verklaringen ontleende weergave van haar eigen werkzaamheden onvolledig of onjuist is te achten. Voor de Raad is genoegzaam vast komen te staan dat appellante ten tijde hier van belang voor haar lichte administratieve werk geschikt was te achten.

5. De weigering appellante een uitkering ingevolge de WIA toe te kennen kan in rechte stand houden. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.M. Tason Avila.

JL