Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8791

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
08-3620 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de door Marhold getrokken conclusie niet kan worden gevolgd. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank. Marhold heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd waarop zijn conclusie is gebaseerd, terwijl deze conclusie niet spoort met hetgeen appellant zelf heeft verklaard omtrent zijn persoonlijk en sociaal functioneren. Hier komt bij dat appellant in hoger beroep geen nadere verklaring van Marhold in het geding heeft gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3620 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2008, 07/1872 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. M.F. Achekar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuijsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van 17 mei 1999 in verband met psychische klachten een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 1998 is appellant gezien door de zenuwarts Van ’t Hof. Nadien is appellant behandeld door de psychiater Lisei.

1.2. Bij besluit van 9 februari 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellant met ingang van 6 februari 2004 ingetrokken.

1.3. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. In het kader van de bezwaarprocedure heeft op verzoek van appellant een expertise plaatsgevonden door de psychiater Bellari. Deze psychiater heeft in een rapport van 17 maart 2004 geconcludeerd dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden bezit op het gebied van arbeid als gevolg van zijn psychische stoornis(sen) op de volgende gronden:

a. er is sprake van ernstig persoonlijk disfunctioneren nu appellant lijdt aan een samenstel van symptomen waaronder geheugen- en concentratieproblematiek, lusteloosheid, moeheid en passiviteit;

b. er is sprake van ernstig sociaal disfunctioneren nu betrokkene lijdt aan persisterend terugtrekgedrag, vermijdingsgedrag en initiatiefloosheid.

1.4. Bij besluit van 3 mei 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 februari 2004 gegrond verklaard en appellant op en na 6 februari 2004 onveranderd arbeidsongeschikt geacht naar een mate van 80 tot 100%.

1.5. Op 9 januari 2007 is appellant gezien door een verzekeringsarts. Deze arts heeft op basis van de anamnese, de bevindingen van psychiatrisch onderzoek, alsmede op basis van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant, geconcludeerd dat er weliswaar beperkingen zijn met betrekking tot de psychische belastbaarheid van appellant, maar niet meer in die mate dat hij niet in staat zou zijn tot het verrichten van arbeid. Appellant is aangewezen op een voorspelbare werksituatie zonder al te veel deadlines en zonder persoonlijk risico. Tevens is appellant beperkt geacht met betrekking tot conflicthantering en leidinggeven. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 9 januari 2007 melding gemaakt van de frequentie waarmee appellant de psychiater Lisei bezoekt, namelijk eenmaal per maand en viermaal per jaar voor een lang gesprek. De beperkingen van appellant zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 januari 2007. Vervolgens heeft arbeidskundig onderzoek uitgewezen dat rekening houdend met appellants beperkingen er voldoende functies zijn die hij kan vervullen en waarmee hij een zodanig inkomen kan verwerven dat geen verlies aan verdiencapaciteit resteert.

1.6. Bij besluit van 31 januari 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 27 maart 2007 ingetrokken.

1.7. In bezwaar heeft appellant een brief, gedateerd 14 juni 2007, overgelegd van de psychiater Marhold. Deze psychiater heeft geconcludeerd dat de gezondheidssituatie van appellant ten opzichte van de gezondheidssituatie, zoals beschreven door de psychiater Bellari in 2004, niet is veranderd.

1.8. In een rapportage van 3 juli 2007 heeft een bezwaarverzekeringsarts die appellant heeft gezien, uiteengezet waarom de conclusie van Marhold niet kan worden gevolgd, onder meer op de grond dat de conclusie van de door appellant ingeschakelde psychiater niet wordt onderbouwd door onderzoeksbevindingen.

1.9. Bij besluit van 9 juli 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 januari 2007 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 9 juli 2007 ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank is bij haar uitspraak tot de conclusie gekomen dat het besluit van 9 juli 2007 op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. Naar haar oordeel heeft de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd uitgelegd waarom de diagnose van Marhold niet kan worden gevolgd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat Marhold niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke eigen onderzoeksgegevens zijn conclusie is gebaseerd. Zo heeft hij niet aangegeven sinds wanneer en met welke frequentie appellant bij hem onder behandeling is en heeft hij niet aangegeven vanwege welke aandoening appellant zich tot hem heeft gewend. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts gemotiveerd heeft aangegeven dat het vastgestelde psychiatrische beeld, zoals dat in 2004 door Bellari is weergegeven, wel een verandering heeft ondergaan. Uit de door appellant beschreven dagactiviteiten blijkt niet van een ernstig gestoord functioneren op persoonlijk en sociaal niveau. Verder heeft appellant aangegeven nagenoeg geen last meer te hebben van nachtmerries of stemmen of visuele hallucinaties. Tevens heeft de rechtbank de bezwaarverzekeringsarts kunnen volgen in de redenering dat het met appellant beter gaat nu de spanningen die zijn ontstaan in 1998 omtrent zijn verblijfsvergunning niet meer aanwezig zijn, er gezinsuitbreiding heeft plaatsgevonden, er sprake blijkt te zijn van normale dagactiviteiten en er sociale contacten blijken te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is met de psychische klachten van appellant voldoende rekening gehouden in de FML van 9 januari 2009.

2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit van 9 juli 2007 heeft de rechtbank geoordeeld dat deugdelijk en toereikend is gemotiveerd dat de voor appellant geselecteerde functies voor hem passend zijn.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte de brief van de psychiater Marhold heeft gepasseerd. Naar zijn stelling lijdt hij nog steeds aan een ernstige, chronische depressieve stoornis met psychotische kenmerken, zoals beschreven door Bellari.

4.1. De Raad volgt appellant hierin niet.

4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de door Marhold getrokken conclusie niet kan worden gevolgd. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank. Marhold heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd waarop zijn conclusie is gebaseerd, terwijl deze conclusie niet spoort met hetgeen appellant zelf heeft verklaard omtrent zijn persoonlijk en sociaal functioneren. Hier komt bij dat appellant in hoger beroep geen nadere verklaring van Marhold in het geding heeft gebracht.

4.3. De Raad kan zich eveneens verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de arbeidskundige grondslag van het besluit van 9 juli 2007.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

EK