Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8776

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
08-1437 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Het is de Raad niet gebleken dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De Raad is niet tot de conclusie kunnen komen, dat de beperkingen zoals opgenomen in de FML een overschrijding inhouden van de belastbaarheid van appellante. Uitgaande van de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen acht de Raad genoegzaam aannemelijk dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De signaleringen bij de geduide functies zijn in het eerder genoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 juli 2007 voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1437 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 januari 2008, 07/2327

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft zich met brieven van respectievelijk 21 april 2008, 2 juni 2008 en

7 juli 2008 tot de Raad gewend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, werkzaam als assistente onderwijsondersteuning voor 32 uur per week, is op 21 maart 2005 uitgevallen met rugklachten en klachten van psychische aard. Bij besluit van 20 februari 2007 heeft het Uwv geweigerd haar per 25 februari 2007 een uitkering toe te kennen ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden gesteld op minder dan 35%. Daaraan ligt een onderzoek van de verzekeringsarts van het Uwv ten grondslag, die heeft geconcludeerd dat zij geschikt is voor werk zonder te veel werkdruk en zonder structurele conflicten; tevens is zij geschikt voor fysiek niet te zwaar werk, waarin zij veelvuldig van houding kan wisselen. De beperkingen van appellante bij het verrichten van arbeid heeft hij vastgelegd in een Functionele mogelijkheden lijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft een aantal voor appellante geschikte functies geselecteerd en vastgesteld dat zij daarmee meer kan verdienen dan het zogenoemde maatmanloon.

1.2. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 februari 2007. Na ontvangst van informatie van de huisarts van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts W. Hovy op 24 juli 2007 rapport uitgebracht. Daarin heeft hij gesteld dat de FML op een enkel punt aangescherpt moet worden, maar dat het primaire medisch oordeel voor het overige kan worden onderschreven. De bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk heeft in zijn rapport van 26 juli 2007 de bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen met betrekking tot eventuele overschrijdingen van de belastbaarheid toegelicht. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 6 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft zij, evenals in bezwaar, aangevoerd dat zij meer beperkingen ondervindt dan het Uwv heeft aangenomen en dat ten onrechte geen acht is geslagen op de gegevens uit de periode dat zij nog in [plaatsnaam] woonde (2001/2002).

2.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort gezegd, de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Daaraan heeft de rechtbank onder meer toegevoegd dat de gegevens uit de periode 2001/2002, toen appellante depressieve symptomen vertoonde, niet doorslaggevend kunnen worden geacht, onder andere omdat uit een brief van een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige van 11 december 2002 valt op te maken dat deze symptomen minder waren geworden.

3. Appellante heeft in hoger beroep voornamelijk de eerder aangevoerde grieven herhaald.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Het is de Raad niet gebleken dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De Raad is niet tot de conclusie kunnen komen, dat de beperkingen zoals opgenomen in de FML een overschrijding inhouden van de belastbaarheid van appellante. Er is geen medische informatie overgelegd die de stelling van appellante kan ondersteunen dat zij meer beperkt is dan door het Uwv aangenomen. De stukken met betrekking tot de eerder bedoelde depressieve periode van appellante in 2001/2002 kunnen niet tot een ander oordeel leiden: zij dateren van (ruim) voor de datum in geding, terwijl de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in hun rapporten van respectievelijk 13 december 2006 en 24 juli 2007 geen evidente psychopathologie hebben kunnen vaststellen. De mening van de reïntegratie- begeleider bij het CWI omtrent het vermogen van appellante om te kunnen werken kan niet beslissend worden geacht, omdat deze mening niet medisch is onderbouwd.

4.3. Uitgaande van de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen acht de Raad genoegzaam aannemelijk dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De signaleringen bij de geduide functies zijn in het eerder genoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 juli 2007 voldoende toegelicht. Zelfs indien de functie van chauffeur bijzonder vervoer zou vervallen omdat deze zoals appellante stelt minder geschikt voor haar is, resteren voldoende functies om de schatting te kunnen dragen, terwijl zulks geen gevolgen heeft voor het vastgestelde percentage van arbeidsongeschiktheid.

5. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.Riphagen en M.S.E. Wulffraat- van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2009.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.) A.C.A. Wit.

EK