Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
08/7289 MPW + 09/3641 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning militair invaliditeitspensioen van 17 augustus 2004 tot 17 augustus 2005 naar een mate van invaliditeit van 30%. De mate van invaliditeit vanaf 17 augustus 2005 is gehandhaafd op 25%. Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen. De Raad acht (...) op grond van het door de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen van 31 januari 2006 omtrent appellant uitgebrachte rapport, het verslag van de expertise van prof. dr. H.J.C. van Marle van 8 december 2005 en diens vele en uitgebreid gemotiveerde reacties naar aanleiding van de rapporten van dr. Schwarz, de bij de bestreden besluiten ingenomen standpunten deugdelijk voorbereid en onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7289 MPW en 09/3641 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 november 2008, 08/1061 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 24 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de staatssecretaris is een verweerschrift ingediend, vergezeld van een nader besluit van 24 december 2008 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.B. Knook, werkzaam bij de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H.J. Geldof van Doorn, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 5 april 1961 in militaire dienst gekomen en van 25 mei 1962 tot

4 oktober 1962 uitgezonden geweest in Nieuw-Guinea. Op 1 december 1962 is appellant met groot verlof gegaan en op 1 oktober 1982 is aan hem ontslag verleend wegens diensteindiging.

1.2. Appellant heeft in augustus 2005 aan de staatssecretaris verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Bij besluit van 20 februari 2006 is aan appellant met ingang van 17 augustus 2004 een militair invaliditeitspensioen toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 25%. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 januari 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 januari 2008 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

3. De staatssecretaris heeft ter uitvoering van deze uitspraak een nader besluit op bezwaar genomen op 24 december 2008, inhoudende dat het bezwaar gegrond wordt verklaard, in die zin dat het militair pensioen van appellant te rekenen van 17 augustus 2004 tot 17 augustus 2005 wordt berekend naar een mate van invaliditeit van 30%. De mate van invaliditeit vanaf 17 augustus 2005 is gehandhaafd op 25%.

4. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij lijdt aan een psychische aandoening vanwege de militaire dienst, leidend tot een mate van invaliditeit van 50%. Hij acht het door de staatssecretaris in navolging van het door de psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle vastgestelde percentage van 30, respectievelijk 25 onvoldoende onderbouwd en onderschat. Hij verwijst hiertoe naar de in bezwaar en beroep door appellant ingebrachte rapporten van de psychiater dr. R.V. Schwartz. Voorts is aangevoerd dat appellant al tijdens zijn dienstverband klachten ondervond en om die reden vervroegd met pensioen is gegaan.

5. De staatssecretaris heeft in verweer aangevoerd dat professor Van Marle meermaals zeer zorgvuldig en gemotiveerd de door hem vastgestelde percentages heeft toegelicht en dat er geen reden is om hier tot hogere percentages te komen. Het verschil in uitkomst ten opzichte van de beoordeling door psychiater Schwartz is niet veroorzaakt door het gebruik van andere criteria, maar door de wijze van interpretatie van de beperkingen die appellant van zijn door de dienst veroorzaakte psychische klachten ondervindt. Dat appellant op 60-jarige leeftijd met pensioen is gegaan kan volgens de staatssecretaris niet tot een hogere mate van invaliditeit leiden.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Nu het nadere besluit van 24 december 2008 niet geheel tegemoet komt aan de bezwaren van appellant, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

6.2. Appellant is van mening dat de mate van invaliditeit met dienstverband met ingang van 17 augustus 2004 dient te worden vastgesteld naar een mate van invaliditeit van 50% en verwijst hiertoe naar door hem ingebrachte rapporten van de psychiater

dr. R.V. Schwarz. De Raad acht echter op grond van het door de Commissie Genees-kundig Onderzoek Militairen van 31 januari 2006 omtrent appellant uitgebrachte rapport, het verslag van de expertise van prof. dr. H.J.C. van Marle van 8 december 2005 en diens vele en uitgebreid gemotiveerde reacties naar aanleiding van de rapporten van

dr. Schwarz, de bij de bestreden besluiten ingenomen standpunten deugdelijk voorbereid en onderbouwd. De Raad volgt professor Van Marle in het uitgangspunt dat voor de vaststelling van de mate van invaliditeit bepalend is tot welke beperkingen de psychische stoornis met dienstverband (PTSS) leidt in het dagelijks functioneren in vergelijking met gezonde leeftijdsgenoten. Appellant heeft last van nachtelijke herbelevingen, levendige intrusieve en associatieve herinneringen overdag, vermijdingsdrang, nachtelijke motorische onrust, prikkelbaarheid, een verhoogde waakzaamheid, schrikachtigheid en doorslaapstoornissen. Appellant heeft ondanks die klachten een goed contact met zijn echtgenote en met haar kinderen, oefent hobby’s uit en werkt als vrijwilliger. Professor Van Marle heeft uitgebreid onderbouwd waarom de beperkingen van appellant minder ernstig zijn dan de beperkingen volgens nummer 0703 van de zogenoemde WPC-schaal, waarom hij vergelijkenderwijs en ten dele nummer 0708 van die schaal heeft toegepast en op welke gronden hij tot de percentages van 30 en 25 is gekomen.

6.3. Dat appellant op 60-jarige leeftijd met pensioen is gegaan, kan niet tot een ander oordeel leiden met betrekking tot de mate van invaliditeit met dienstverband ten tijde hier in geding.

7. Gezien het vorenstaande treffen de grieven van appellant geen doel. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking en het beroep tegen het nadere besluit van 24 december 2008 dient ongegrond te worden verklaard.

8. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 december 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD