Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8764

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
08-3358 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende edische en arbeidskundig grondslag. Ten aanzien van het verrichte medische onderzoek is ook de Raad niet gebleken dat dit onvoldoende uitgebreid dan wel anderszins onzorgvuldig is geweest. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door het Uwv is aangenomen dat de drie functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, in medisch opzicht kunnen worden geacht binnen het bereik van appellante te liggen. Met de arbeidskundige rapportages van 29 september 2006, 3 mei 2007 en 16 augustus 2007 is naar het oordeel van de Raad de geschiktheid van deze functies op alle relevante aspecten op een voldoende inzichtelijke en toetsbare wijze gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3358 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 april 2008, 07/3230 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.L. Schuren.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als hulpgroepsleidster in een kinderdagverblijf voor 32 uur per week toen zij op 3 juni 2004 uitviel met psychische klachten.

1.2. In het kader van de beoordeling van de aanvraag van appellante voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft verzekeringsarts M.H.G.M. Zweipfenning op 17 januari 2006 een medisch onderzoek verricht en hierover verslag uitgebracht in zijn rapport van 17 augustus 2006. In dit rapport heeft de verzekeringsarts beschreven dat appellante onder meer last heeft van psychische klachten, klachten van duizeligheid, de ziekte van Ménière, hoofd-, nek-, schouder-, arm- en polsklachten. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 augustus 2006. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige M.M.M.M. Janssen blijkens een rapport van 29 september 2006 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 4,61%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2006 vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 1 juni 2006 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering.

1.3. In de bezwaarprocedure heeft de verzekeringsarts de FML op 17 april 2007 aangepast in verband met een beperkende toelichting op item 4.17 hoofdbewegingen maken. Arbeidsdeskundige M. van Rijbroek heeft in haar rapport van 3 mei 2007 aangegeven dat bij de functieduiding rekening was gehouden met deze beperkende toelichting en dat de huidige wijziging van de FML geen consequenties heeft voor de geduide functies. Bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers heeft informatie opgevraagd bij de plastisch chirurg van appellante. Na weging van de beschikbare medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 23 juni 2007 geconcludeerd dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling gehandhaafd kan blijven. Bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters heeft in zijn rapport van 16 augustus 2007 het maatmanloon nader vastgesteld op € 11,49. Als gevolg van het gewijzigde maatmanloon is het verlies aan verdienvermogen door Peters berekend op 6,44%, hetgeen resulteert in een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 20 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het bestreden besluit berust op een toereikende medische grondslag. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de functies te vervullen die op grond van arbeidskundig onderzoek als voor haar geschikte arbeidsmogelijkheden zijn geselecteerd. Voorts zijn naar het oordeel van de rechtbank alle uit het systeem voorvloeiende signaleringen gemotiveerd.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij met ingang van 1 juni 2007 (bedoeld is: 1 juni 2006) in staat was de haar voorgehouden functies te verrichten. Appellante acht zich tot op heden door haar klachten van fibromyalgie meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen. Ter zitting is namens appellante aangevoerd dat zij naast haar psychische klachten ook lichamelijke klachten heeft. Voorts zijn de geduide functies bestreden.

4. De Raad begrijpt het hoger beroep van appellante, mede gelet op de daarop ter zitting bij de Raad gegeven toelichting, aldus dat dit zich primair richt tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante betoogt subsidiair dat zij niet in staat is om de voor haar geselecteerde functies te vervullen.

5.1. Ten aanzien van het verrichte medische onderzoek is ook de Raad niet gebleken dat dit onvoldoende uitgebreid dan wel anderszins onzorgvuldig is geweest. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts een lichamelijk onderzoek heeft verricht. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie van 28 maart 2007 van orthopedisch chirurg K. Pittoors en van 8 juni 2007 van plastisch-, reconstructief- en handchirurg dr. M.M. Hoogbergen bij zijn onderzoek betrokken.

5.2. De verzekeringsarts die het primaire medische onderzoek heeft verricht, heeft appellante beperkt geacht in verband met psychische klachten, klachten van duizeligheid, de ziekte van Ménière, hoofd-, nek-, schouder-, arm- en polsklachten. De FML bevat beperkingen in alle zes de rubrieken. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 23 juni 2007 voldoende gemotiveerd waarom hij in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding ziet om de door de verzekeringsarts vastgestelde FML te wijzigen. Voorts is in verband met de door appellante aangevoerde klachten van fibromyalgie door bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes in haar rapport van 3 april 2008 aangegeven dat het òf gaat om een nieuwe aandoening ontstaan na datum in geding òf om een nieuwe diagnose voor de reeds bekende klachten. In geen van beide gevallen is er volgens genoemde bezwaarverzekeringsarts reden om de belastbaarheid van appellante per datum in geding aan te passen. De Raad kan zich hiermee verenigen en voegt hieraan toe dat appellante ook in hoger beroep geen medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op haar medische situatie op de datum in geding.

5.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door het Uwv is aangenomen dat de drie functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, te weten machinaal metaalbehandelaar (sbc-code 264121), chauffeur bijzonder vervoer (sbc-code 282101) en samensteller metaalwaren (sbc-code 264140), in medisch opzicht kunnen worden geacht binnen het bereik van appellante te liggen. Met de arbeidskundige rapportages van 29 september 2006, 3 mei 2007 en 16 augustus 2007 is naar het oordeel van de Raad de geschiktheid van deze functies op alle relevante aspecten op een voldoende inzichtelijke en toetsbare wijze gemotiveerd.

5.4. Uit de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM