Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
08-3699 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Met betrekking tot de medische grondslag kan de Raad zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en het door haar daarop gebaseerde oordeel en maakt die tot de zijne. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusie ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De Raad is niet gebleken van een geobjectiveerd medisch gegeven waaruit blijkt dat er meer rugbeperkingen zijn dan door het Uwv is aangenomen. De Raad wijst er tot slot op dat appellant ook in hoger beroep ter ondersteuning van zijn standpunt geen medisch stuk heeft ingebracht dat twijfel doet rijzen aan de juistheid van de vaststelling van zijn medische beperkingen. Voor een nader onderzoek door een deskundige, als door appellant is bepleit, ziet de Raad dan ook geen aanleiding. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen het verslag van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 augustus 2009 is de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken onderbouwing is gegeven aan de passendheid van de geselecteerde functies. Gelet op de verdiensten in die functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA door het Uwv terecht gesteld op minder dan 35%. Nu eerst in de fase van het hoger beroep een als afdoende aan te merken motivering aan de geselecteerde functies is verstrekt, is het bestreden besluit genomen in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel en dient het bestreden besluit om die reden te worden vernietigd. Wel bestaat gelet op het vorenoverwogene aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, komt voor vernietiging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3699 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudig kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 mei 2008, 07/2291

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Ensing, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Namens appellant is mr. Ensing verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1. Op de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 9 november 2006 afwijzend beslist, omdat appellant per 17 augustus 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met zijn medische beperkingen geschikt is voor werkzaamheden in passende functies. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 12 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard.

2.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te hebben gezien het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Dat bij dit onderzoek geen informatie is ingewonnen bij de behandelend psychiater acht de rechtbank aanvaardbaar, mede omdat appellant niet meer onder behandeling was. Bij de behandelend anesthesioloog is wel informatie ingewonnen en deze informatie is bij de beoordeling betrokken. De rechtbank ziet voorts geen reden het medisch oordeel van de verzekeringsartsen onjuist te achten. Met de beperkingen van appellant is in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voldoende rekening gehouden. De rechtbank volgt appellant niet dat hij zwaarder beperkt is dan in de FML is vastgelegd, nu hij zijn standpunt niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat het bestaan van klachten niet toereikend is om arbeidsongeschiktheid aan te nemen. In het kader van de door appellant geclaimde urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat het verrichten van fysiek lichte arbeid mogelijk moet zijn voor appellant gedurende hele dagen. De rechtbank acht het inwinnen van een advies van een medisch deskundige niet noodzakelijk.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald – kort weergegeven – dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggend medisch onderzoek onzorgvuldig is, mede omdat de (bezwaar)verzekeringsarts heeft nagelaten informatie in te winnen bij zijn behandelend psychiater. Verder acht hij het medisch oordeel niet juist omdat hij vanwege chronische rugklachten en depressiviteit volledig arbeidsongeschikt is. Hij verzoekt de Raad een medisch deskundige te raadplegen.

3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv ter onderbouwing van dit standpunt een verslag van een aanvullend arbeidskundig onderzoek, met bijlagen, van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 augustus 2009 in het geding gebracht. De gemachtigde van het Uwv heeft daaraan de conclusie verbonden dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, doch dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het Uwv de in 3.2 vermelde nadere stukken heeft ingediend binnen de termijn van tien dagen zoals vermeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu de gemachtigde van appellant ter zitting desgevraagd heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het bij de behandeling betrekken van deze stukken, heeft de Raad, mede gelet op aard en omvang van deze stukken, geen aanleiding gezien die stukken buiten beschouwing te laten.

4.2. Met betrekking tot de medische grondslag kan de Raad zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en het door haar daarop gebaseerde oordeel en maakt die tot de zijne. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusie ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd.

4.3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad nog het volgende. Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 16 september 2003, LJN AO0093) dat een verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel. Er zijn geen redenen waardoor het aangewezen is dat in afwijking van dit standpunt de (bezwaar)verzekeringsarts met betrekking tot de psychische klachten de behandelend sector had moeten raadplegen. Uit de stukken blijkt dat ten tijde in geding de psychiatrische begeleiding reeds was beëindigd en er geen ondersteunende medicatie werd gebruikt. Verder had de verzekeringsarts tijdens het spreekuur geen psychopathologie waargenomen. De Raad is voorts niet gebleken van een geobjectiveerd medisch gegeven waaruit blijkt dat er meer rugbeperkingen zijn dan door het Uwv is aangenomen. De Raad wijst er tot slot op dat appellant ook in hoger beroep ter ondersteuning van zijn standpunt geen medisch stuk heeft ingebracht dat twijfel doet rijzen aan de juistheid van de vaststelling van zijn medische beperkingen. Voor een nader onderzoek door een deskundige, als door appellant is bepleit, ziet de Raad dan ook geen aanleiding.

4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen het verslag van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 augustus 2009 is de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken onderbouwing is gegeven aan de passendheid van de geselecteerde functies. Gelet op de verdiensten in die functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA door het Uwv terecht gesteld op minder dan 35%.

4.5. Nu eerst in de fase van het hoger beroep een als afdoende aan te merken motivering aan de geselecteerde functies is verstrekt, is het bestreden besluit genomen in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel en dient het bestreden besluit om die reden te worden vernietigd. Wel bestaat gelet op het vorenoverwogene aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, komt voor vernietiging in aanmerking.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in aanwezigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

EK