Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8760

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
08-2067 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mede-terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. De Raad is van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek van het Team Handhaving (...) geen toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant (...) zijn hoofdverblijf in de woning van B. had. De Raad is (...)van oordeel dat het besluit van 28 november 2006 niet berust op een deugdelijke grondslag. Aan het primaire besluit van 24 april 2006 kleeft hetzelfde gebrek, terwijl niet aannemelijk is dat dit nog kan worden hersteld. Een en ander betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 28 november 2006 in stand zijn gelaten, dient te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2067 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 februari 2008, 07/86 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.E. Jalandoni, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 08/1891 WWB, plaatsgevonden op 11 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jalandoni. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het College heeft aan [naam B. Partner van appellant] (hierna: [naam B.]) met ingang van 17 oktober 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat [naam B.] in haar woning aan de [adres] in [woonplaats] samenwoont met appellant heeft het Team Handhaving van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [naam B.] verleende bijstand. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 24 april 2006 de bijstand van [naam B.] met ingang van 12 november 2004 in te trekken op de grond dat zij vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voert met appellant. Bij dat besluit heeft het College tevens de over de periode van 12 november 2004 tot en met 31 maart 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.567,60 van [naam B.] teruggevorderd. Voorts heeft het College, met toepassing van artikel 59 van de WWB, de over de periode van 12 november 2004 tot en met 31 maart 2006 ten behoeve van [naam B.] gemaakte kosten van bijstand mede van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 28 november 2006 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 april 2006 ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant en [naam B.] vanaf 12 november 2004 hun hoofdverblijf hebben in de woning van [naam B.] en dat appellant en [naam B.] blijk hebben gegeven voor elkaar zorg te dragen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 28 november 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant in de periode van 12 november 2004 tot en met 31 maart 2006 zijn hoofdverblijf had in de woning van [naam B.]. De rechtbank heeft met name de eigen verklaring van appellant van belang geacht en daarbij aangegeven dat deze verklaring wordt ondersteund door verklaringen van verschillende buurtbewoners. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de verklaringen van appellant en [naam B.] voorts voldoende grondslag voor de vaststelling dat aan het criterium van de wederzijdse verzorging is voldaan. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat genoegzaam is komen vast te staan dat [naam B.] en appellant in de periode van 12 november 2004 tot en met 31 maart 2006 een gezamenlijke huishouding voeren en dat het College gerechtigd is tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand gedurende die periode omdat [naam B.] niet aan de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft voldaan door aan het College geen opgave te doen van hun gezamenlijke huishouding. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het College met toepassing van artikel 59 van de WWB de kosten van de aan [naam B.] verleende bijstand terecht mede van appellant heeft teruggevorderd en hem terecht hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de terugbetaling van de gemaakte kosten van bijstand.Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 28 november 2006 onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet is ingegaan op de vraag of er dringende redenen zijn op grond waarvan het College van terugvordering had behoren af te zien of had moeten matigen. De rechtbank heeft het besluit van 28 november 2006 op die grond vernietigd. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat het College in een nader besluit op bezwaar gericht aan [naam B.] en in de ter zitting door het College gegeven toelichting de ontbrekende motivering heeft gegeven.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 28 november 2006 in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad dient te beoordelen of de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Daarin is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dit achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat, in dit geval, appellant die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met [naam B.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Met de rechtbank stelt de Raad vervolgens vast dat appellant en [naam B.] ten tijde in geding stonden ingeschreven op verschillende woonadressen. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft op zichzelf niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.2. De Raad is van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek van het Team Handhaving, zoals neergelegd in het proces-verbaal van 28 april 2004, geen toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant in de periode hier in geding zijn hoofdverblijf in de woning van [naam B.] had. Appellant en [naam B.] hebben tijdens hun verhoren op 30 maart 2006 ontkend dat zij samenwonen. Appellant heeft alleen erkend dat hij ter ondersteuning van [naam B.] veel bij haar verblijft, maar betwist dat hij daar woont. Hij heeft daarbij aangegeven dat al zijn kleding en overige spullen liggen op zijn eigen woonadres. [naam B.] heeft erkend dat appellant haar bij alles helpt en om die reden vaak bij haar verblijft. Zij heeft daarbij aangegeven dat in het verblijf van appellant bij haar geen regelmaat zit en dat hij hooguit vier dagen per week bij haar is. De niet anonieme getuigenverklaringen van buurtbewoners bevatten naar het oordeel van de Raad onvoldoende concrete feiten en omstandigheden voor het oordeel dat appellant in de periode van 11 november 2004 tot en met 31 maart 2006 zijn hoofdverblijf bij [naam B.] heeft gehad.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.4 volgt dat niet genoegzaam is komen vast te staan dat appellant in de periode van 11 november 2004 tot en met 31 maart 2006 zijn hoofdverblijf in de woning van [naam B.] heeft gehad. Aangezien aan een van de beide criteria van artikel 3, derde lid, van de WWB niet is voldaan behoeft de vraag of aan het tweede criterium, dat van wederzijdse zorg, wel is voldaan geen bespreking. Hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd kan eveneens buiten bespreking blijven.

4.6. De Raad is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het besluit van 28 november 2006 niet berust op een deugdelijke grondslag. Aan het primaire besluit van 24 april 2006 kleeft hetzelfde gebrek, terwijl niet aannemelijk is dat dit nog kan worden hersteld. Een en ander betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 28 november 2006 in stand zijn gelaten, dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 24 april 2006 herroepen, voor zover daarbij van appellant de kosten van de aan [naam B.] in de periode van 11 november 2004 tot en met 31 maart 2006 verleende bijstand worden teruggevorderd.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 28 november 2006 in stand zijn gelaten;

Herroept het besluit van 24 april 2006, voor zover daarbij de kosten van de aan [naam B.] over de periode van 11 november 2004 tot en met 31 maart 2006 verleende bijstand van appellant worden teruggevorderd;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.E. Giesen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ge-zamenlijke huishouding.

IJ