Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8752

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
08-1284 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaald verzoek. Weigering WAZ-uitkering. De rechtbank heeft overwogen, dat de aanvraag getoetst had moeten worden aan artikel 4:6 Awb. De Raad: Dat met ingang van 13 december 2005 sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid in verband met de doorgemaakte TIA en CVA is aldus weliswaar een gevolg van een nieuw feit, maar gelet op deze datum hoefde dit geen reden te zijn om terug te komen op het eerdere besluit van 23 september 2004. Ook overigens is de Raad niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1284 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 januari 2008 , 07/651 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 september 2008 heeft voormelde gemachtigde een rapport van 23 juli 2008 van J. Roelofs, psychiater, in het geding gebracht.

Het Uwv heeft daarop gereageerd door middel van inzending van een rapport van 11 september 2008 van K. Corten, bezwaarverzekeringsarts.

Namens appellante is een rapport van 28 oktober 2008 van A. Aerts, cardioloog, naar de Raad gezonden, waarop voormelde bezwaarverzekeringsarts heeft gereageerd met haar rapport van 17 november 2008.

Bij brief van 13 juli 2009 is namens appellante een rapport van 9 juli 2009 van M.M.M.G. Debije, psychiater te Maastricht, ingezonden.

Namens het Uwv is daarop commentaar geleverd door voormelde bezwaarverzekeringsarts Corten bij rapport van 24 juli 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2009. Appellante was in persoon aanwezig, bijgestaan door voormelde gemachtigde. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, voorheen werkzaam als meewerkend zelfstandige in een pizzeria, heeft in juni 1997 een aanvraag om uitkering ingediend omdat zij in november 1995 was uitgevallen in verband met onder andere knie- en nekklachten. Aan haar is met ingang van 6 november 1996 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend omdat zij volledig arbeidsongeschikt werd geacht. Deze uitkering

- inmiddels omgezet naar een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (WAZ) - is met ingang van 17 mei 1999 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante werd gesteld op minder dan 25%. Het bezwaar van appellante daartegen is door de rechtsvoorganger van het Uwv bij besluit van 10 september 1999 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank Maastricht bij uitspraak van 22 maart 2001 ongegrond verklaard, waarna de Raad bij uitspraak van 29 april 2002, 01/2582 WAZ, deze uitspraak heeft bevestigd.

1.2. Appellante heeft op 22 maart 2004 om herkeuring verzocht omdat zij per 1 augustus 2003 togenomen arbeidsongeschikt zou zijn. In het kader daarvan is door een verzekeringsarts van het Uwv rapport uitgebracht. Tevens heeft het Uwv aanleiding gezien appellante te doen onderzoeken door R. Minnekeer, neuro-psychiater te Lanaken, die appellante op 8 en 29 juni 2004 heeft onderzocht en op 15 augustus 2004 rapport heeft uitgebracht. In dit rapport vermeldt hij dat er sprake is van een zwaar belast sociaal verleden en dat wellicht gesproken moet worden van een persoonlijkheidsstoornis. Omdat het geheel meer wijst op spanningsklachten dan op een stemmingsstoornis, heeft hij geen specifieke psychiatrische diagnose gesteld. Mede naar aanleiding van dit rapport is bij besluit van 23 september 2004 aan appellante bericht dat zij per 28 augustus 2003 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt is gebleven. Het door appellante daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 januari 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 15 april 2005, 05/342 WAZ, van de rechtbank Maastricht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Daartegen zijn door appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Op 18 september 2006 heeft appellante wederom, onder overlegging van een groot aantal stukken, verzocht om een uitkering ingevolge de WAZ omdat zij (toegenomen) arbeidsongeschikt zou zijn. De verzekeringsarts van het Uwv heeft in zijn rapport van 20 oktober 2006 vermeld dat er sprake is geweest van een TIA, dat appellante eind 2005 opgenomen was in verband met een lacunair infarct links en dat er in 2006 sprake was van cardiale problemen. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden gesteld op 15 december 2005, terwijl de klachten die appellante voordien had niet hebben geleid tot het volmaken van de wachttijd. Bij besluit van 25 oktober 2006 heef het Uwv de aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de WAZ afgewezen. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Na rapportage van de bezwaarverzekeringsarts K. Corten - die het primaire oordeel heeft onderschreven: eerst eind 2005 is sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit een andere ziekte-oorzaak - heeft het Uwv bij besluit van 29 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het namens appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de terugbetaling van griffierecht en de vergoeding van proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, dat - zoals het Uwv ter zitting ook reeds had erkend - de aanvraag van appellante getoetst had moeten worden aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursecht (Awb). Appellante was immers, nu het besluit van 23 september 2004 in kracht van gewijsde is gegaan, gehouden om bij haar herhaalde aanvraag nieuwe feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Alsnog toetsend aan genoemd artikel heeft de rechtbank overwogen, dat er geen sprake is van bedoelde nieuwe feiten of omstandigheden, terwijl er gelet op de voorhanden gegevens geen reden is om de door het Uwv vastgestelde eerste dag van arbeidsongeschiktheid voor onjuist te houden. In elk geval is er geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid voor 1 augustus 2004, de datum waarop de toegang tot de WAZ is afgesloten.

3. Namens appellante is in hoger beroep met name gesteld dat haar psychische klachten in 2004 sterk zijn onderschat en dat eerst door de rapporten van de eerder genoemde psychiaters Roelofs en Debije de ernst van die klachten duidelijk is geworden. Roelofs heeft, kort gezegd, gesteld dat er sprake is van jeugdtrauma’s en sociale problemen in het verleden, waardoor er tot een aanpassingsstoornis of een persoonlijkheidsstoornis NAO geconcludeerd moet worden. Debije komt tot de conclusie dat er sprake is van een depressieve stoornis dan wel een PTSS of wel een paniekstoornis met agorafobie, terwijl er een groot aantal beperkingen op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren had moeten worden aangenomen.

Namens het Uwv is er met name op gewezen dat het eerder genoemde rapport van de psychiater Minnekeer een goed inzicht geeft in de destijds, in juni 2004, bestaande beperkingen en dat onvoldoende is gebleken dat die voor 1 augustus 2004 zijn toegenomen.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad constateert allereerst dat het hoger beroep van appellante zich met name richt op het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit door de rechtbank.

4.3. Anders dan appellante meent komen gegevens over haar psychische klachten en haar belaste (sociale) verleden, dat (deels) tot deze klachten aanleiding heeft gegeven, ook voor in de stukken met betrekking tot de periode 1996-1999 en de stukken die hebben geleid tot het besluit van 23 september 2004 (zo spreekt reeds het verzekeringsgeneeskundig rapport van 15 juli 1997 over een depressief syndroom). Ook de psychiater Minnekeer voornoemd sluit in zijn rapport het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis niet uit. Anders gezegd, laatstgenoemde psychiater en de door appellante geraadpleegde psychiaters Roelofs en Debije baseren zich op nagenoeg dezelfde althans vergelijkbare psychiatrische gegevens en bevindingen. Dat vervolgens Roelofs en Debije tot een andere weging (ten aanzien van de belastbaarheid van appellante) komen dan Minnekeer, levert nog geen nieuw feit of een veranderde omstandigheid op als bedoeld in artikel 4:6 Awb. Dat met ingang van 13 december 2005 sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid in verband met de doorgemaakte TIA en CVA is aldus weliswaar een gevolg van een nieuw feit, maar gelet op deze datum hoefde dit geen reden te zijn om terug te komen op het eerdere besluit van 23 september 2004. Ook overigens is de Raad niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden.

4.4. Het voorgaande betekent, dat de rechtbank met recht heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven. De aangevallen uitspraak komt voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.C.A. Wit.

JL