Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8675

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2009
Datum publicatie
28-09-2009
Zaaknummer
08-2070 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning tegemoetkoming in de studiekosten en toekenning studieverlof van 160 uren per studiejaar. Horen. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de mate waarin het belang van de Rijksdienst met het volgen van de opleiding is gediend. Dit betekent dat naarmate het belang van de Rijksdienst groter is, een hogere tegemoetkoming kan worden toegekend. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2070 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 februari 2008, 07-747 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 10 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2009. Appellant is verschenen en de staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Geffen, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam als groepsfunctionaris F bij de belastingdienst Groningen, regio Noord. Op 18 januari 2007, nader aangevuld bij brief van 6 februari 2007, heeft appellant in verband met het volgen van de studie fiscaal recht aan de universiteit te Groningen verzocht om toekenning van studiefaciliteiten, bestaande uit 320 uur studieverlof per jaar en een vergoeding van 75% van de studiekosten.

1.2. Bij besluit van 28 februari 2007 heeft de staatssecretaris aan appellant voor de periode van 1 februari 2007 tot 1 februari 2010 een tegemoetkoming in de studiekosten toegekend van 50% van de directe en indirecte studiekosten. Voorts is appellant voor genoemde periode studieverlof toegekend van 160 uren per studiejaar. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 juni 2007 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Ook in hoger beroep heeft appellant als formele grief aangevoerd dat hij niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is gehoord, omdat hij alleen maar is aangehoord. Blijkens het verslag van het hoorgesprek is appellant de gelegenheid geboden zijn standpunt toe te lichten, van welke mogelijkheid hij gebruik heeft gemaakt. Dat appellant ter gelegenheid van het horen graag met vertegenwoordigers van de staatssecretaris van gedachten had willen wisselen, hetgeen niet mogelijk was, maakt naar het oordeel van de Raad niet dat hij niet naar behoren is gehoord. Daarbij heeft de Raad betrokken dat met appellant reeds een tweetal gesprekken waren gevoerd over zijn verzoek en dat hij op de hoogte was van de schriftelijke zienswijze van zijn leidinggevende op zijn bezwaarschrift en daarop ook heeft gereageerd. Appellant heeft op de hoorzitting voorts vragen opgeworpen; daarop is niet op de hoorzitting maar in het bestreden besluit ingegaan. Die gang van zaken acht de Raad, in lijn met zijn uitspraak van 14 juli 2005, LJN AT9966, niet in strijd met artikel 7:2 van de Awb, zodat deze grief niet slaagt.

3.2. Ingevolge artikel 60, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement kan aan de ambtenaar die op eigen initiatief scholing gaat volgen op zijn aanvraag een vergoeding van de noodzakelijk te maken scholingskosten worden toegekend of scholingsverlof met behoud van bezoldiging worden verleend, indien het belang van de Rijksdienst bij het volgen van de scholing is gebaat. Blijkens artikel 1.6.2.3 van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB) wordt de hoogte van de tegemoetkoming in de kosten per individueel geval vastgesteld en bedraagt deze tenminste 50% van de in aanmerking te nemen kosten. De hoogte van de tegemoet-koming is afhankelijk van de mate waarin het belang van de Rijksdienst met het volgen van de opleiding is gediend. Dit betekent dat naarmate het belang van de Rijksdienst groter is, een hogere tegemoetkoming kan worden toegekend. Op grond van artikel 1.3.2 van het RPVB kunnen aan de ambtenaar als hiervoor bedoeld studiefaciliteiten worden verleend indien met de studie of opleiding naar het oordeel van het managementteam het belang van de dienst op korte of langere termijn is gebaat. De omvang van de studie-faciliteiten wordt per individueel geval bepaald op basis van de mate van het dienstbelang dat met de beoogde opleiding is gediend.

3.3. De staatssecretaris heeft de toekenning gebaseerd op het standpunt dat weliswaar het belang van de Rijksdienst is gediend met het volgen van de studie fiscaal recht, maar niet in die mate dat daarvoor meer studiefaciliteiten en een hogere tegemoetkoming moeten worden toegekend dan bij het bestreden besluit is geschied. Daarbij is er op gewezen dat appellant na het volgen van die studie kan doorstromen naar een functie op I-niveau, maar er is sprake van overbezetting in die groepsfunctie. Voorts zijn er medewerkers in dienst die al afgestudeerd zijn en nog niet zijn benoemd in een I-functie en zijn er collega’s van appellant die al bezig zijn met deze studie. Het is dus niet van heel groot belang voor de dienst dat appellant wordt opgeleid tot fiscaal jurist.

De Raad acht het standpunt van de staatssecretaris voldoende feitelijk onderbouwd. De stelling van appellant dat in 2010, het jaar waarin zijn afstuderen is voorzien, een grote uitstroom van I-functionarissen is te verwachten is niet onderbouwd en nu de staatssecretaris die stelling gemotiveerd heeft bestreden gaat de Raad daaraan voorbij. Ter zitting heeft appellant nog gewezen op het feit dat er medio 2009 in den lande 36 vacatures waren opengesteld voor I-functionarissen met een fiscaal-juridische opleiding. Daarop is namens de staatssecretaris verklaard dat dit op een personeelsbestand van 30.000 belastingambtenaren niet als een grote vraag naar I-funcionarissen kan worden beschouwd. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat buiten de belastingdienst een groot Rijksbelang bestaat bij zijn opleiding, dat er toe zou moeten leiden dat hem meer faciliteiten moeten worden verstrekt dan is geschied.

3.4. Appellant heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, daartoe stellende dat in het verleden voor het volgen van dezelfde opleiding ruimere vergoedingen en faciliteiten zijn verleend. De staatssecretaris heeft dat niet weersproken maar uiteengezet dat voor de reorganisatie in 2003 in de zeven eenheden van regio Noord zelfstandig werd beslist op verzoeken als deze, waarbij het kantoorbelang leidend was. Sedert 2003 wordt centraal en consistent beslist, zoals ook blijkt uit twee andere gevallen waarin voor dezelfde studie dezelfde faciliteiten zijn verleend als aan appellant. Daarmee acht de Raad het beroep op het gelijkheidsbeginsel afdoende weerlegd. De overige gevallen waarop appellant zich heeft beroepen lenen zich ook naar het oordeel van de Raad niet voor vergelijking met het zijne.

4. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD