Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8673

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
08-3362 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Met de bezwaarverzekeringsarts is de Raad van oordeel dat de rapportage van Van Rijn geen nieuwe medische gegevens bevat die van betekenis zijn voor de voor appellante ten tijde hier van belang vastgestelde belastbaarheid. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de rapportage van Van Rijn geen betrekking heeft op de datum in geding. Al met al is de Raad van oordeel dat met de ter zake door de verzekeringsarts in de FML opgenomen beperkingen de psychische belastbaarheid van appellante ten tijde hier van belang niet is overschat. Ook overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten om de medische grondslag in het bestreden besluit niet juist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3362 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2008, 07/3501

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2009. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde mr. Küçükünal, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als parttime schoonmaakster toen zij zich op 21 augustus 2001 voor die werkzaamheden heeft ziek gemeld wegens psychische klachten en gewrichtsklachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellante met ingang van 20 augustus 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. In het kader van een herbeoordeling in verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de verzekeringsarts W.A. Kooijman appellante onderzocht tijdens een spreekuurcontact. Blijkens het rapport van 6 maart 2007 en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van diezelfde datum heeft deze verzekeringsarts geconcludeerd dat de psychische belastbaarheid van appellante beperkt is te achten. Tevens heeft de verzekeringsarts enige beperkingen aangegeven ten aanzien van de fysieke belastbaarheid. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige P.J. Schaap blijkens een rapport van 22 maart 2007 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit van appellante berekend op nihil. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 23 maart 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 24 mei 2007 ingetrokken.

1.4. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts V.K. Ramautar. Deze verzekeringsarts, die bij de hoorzitting aanwezig is geweest en dossierstudie heeft verricht, heeft in het rapport van 31 juli 2007 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het primaire medische oordeel. In zijn oordeelsvorming heeft de bezwaarverzekeringsarts mede betrokken de brief van 22 mei 2007 van psychotherapeut M.C. Borra van Riagg Rijnmond. Bezwaararbeidsdeskundige J.A.M. Snijders heeft vervolgens de passendheid van de geduide functies opnieuw beoordeeld en in het rapport van 13 augustus 2007 geconcludeerd dat er geen arbeidsdeskundige argumenten zijn om af te wijken van het primaire oordeel. Bij besluit van 17 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 maart 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - zowel de medische als de arbeidskundige grondslag onderschreven.

3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat de in beroep overgelegde informatie van 20 en 31 maart 2008 van de behandelende psycholoog M.C.J. van Rijn in de besluitvorming had moeten worden meegewogen. Van Rijn heeft de klachten die appellante altijd heeft gehad beschreven en heeft de beperkingen aangeduid die altijd al aanwezig zijn geweest bij appellante.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Daaraan voegt de Raad nog toe dat de in beroep namens appellante nader ingebrachte rapportage van 31 maart 2008 van psycholoog M.C.J. van Rijn geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de medische grondslag van het bestreden besluit, zoals ook door bezwaarverzekeringsarts Ramautar is geconcludeerd in het rapport van 31 juli 2007. Ramautar heeft aangegeven dat uit de rapportage van Van Rijn geen nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gekomen en hij heeft aangegeven dat deze rapportage niet relevant afwijkt van de brief van 22 mei 2007 van psychotherapeut M.C. Borra van het Riagg. Anders dan van de zijde van appellante naar voren is gebracht, is Ramautar van oordeel dat de gezondheidstoestand van appellante is verbeterd. Met deze bezwaarverzekeringsarts is de Raad van oordeel dat de rapportage van Van Rijn geen nieuwe medische gegevens bevat die van betekenis zijn voor de voor appellante ten tijde hier van belang vastgestelde belastbaarheid. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de rapportage van Van Rijn geen betrekking heeft op de datum in geding. Al met al is de Raad van oordeel dat met de ter zake door de verzekeringsarts in de FML opgenomen beperkingen de psychische belastbaarheid van appellante ten tijde hier van belang niet is overschat. Ook overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten om de medische grondslag in het bestreden besluit niet juist te achten.

4.3. Uit overweging 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM