Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
08-4896 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad heeft geen aanleiding om het ervoor te houden dat een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek is ingesteld naar de klachten van appellante. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen onjuist te achten. Met name ook is de Raad uit de beschikbare stukken geen medisch noodzaak voor een urenbeperking gebleken. Ten aanzien van de vermoeidheidsklachten is door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 23 juli 2009 afdoende gemotiveerd dat de in hoger beroep overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft om het medisch oordeel te wijzigen. Appellante heeft in hoger beroep geen andere medische gegevens of argumenten naar voren gebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. De Raad is van oordeel dat het Uwv de passendheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante in voldoende mate heeft aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4896 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 juli 2008, 07/5994 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, gevestigd te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 juli 2009 heeft de gemachtigde van appellante nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft in reactie hierop een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van

23 juli 2009 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2009. Appellante is, zoals tevoren schriftelijk was bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.L. Steeksma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als verpleegkundige A. Op 16 januari 1990 is zij uitgevallen wegens psychische klachten. Vervolgens is aan appellante in aansluiting op de wettelijke wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 19 september 2006 onderzocht door de verzekeringsarts W.S. Vrijlandt, die in zijn rapport van dezelfde datum tot de conclusie is gekomen dat er bij appellante niet meer gesproken kan worden van ziekte, maar dat uit preventief oogpunt onder meer een beperking dient te worden gegeven voor onregelmatigheid bij een volledige werkweek. De beperkingen zijn weergegeven in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 november 2006. Daarna heeft de arbeidsdeskundige L. Jansen na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 14%. Bij besluit van 1 februari 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 2 april 2007 ingetrokken.

1.3. Bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer heeft appellante gezien tijdens een hoorzitting en heeft na weging van de beschikbare medische gegevens in zijn rapport van 14 juni 2007 geconcludeerd dat er enige psychische beperkingen noodzakelijk zijn, gezien de aard van de problematiek in het verleden en de diagnose die daarbij was gesteld. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen aangepast en vastgelegd in de FML van 14 juni 2007. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 3 juli 2007 geconcludeerd dat de geduide functies in het licht van de gewijzigde FML onveranderd geschikt zijn te achten. In lijn hiermee is bij besluit van 5 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Met de psychische beperkingen is onvoldoende rekening gehouden. Voorts is sprake van chronische vermoeidheid op grond waarvan zij geen volledige dagen kan werken. Ter onderbouwing van haar vermoeidheidsklachten heeft appellante brieven overgelegd van haar huisarts van 26 mei 2009, gynaecoloog van 23 september 2008 en cardioloog van 25 augustus 2008. De geduide functies kan appellante vanwege haar klachten niet verrichten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De verzekeringsarts heeft appellante onderzocht en heeft een FML opgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft, nadat hij appellante op de hoorzitting heeft gezien, de beperkingen in de FML aangepast. De Raad heeft geen aanleiding om het ervoor te houden dat een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek is ingesteld naar de klachten van appellante.

4.2. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen onjuist te achten. Met name ook is de Raad uit de beschikbare stukken geen medisch noodzaak voor een urenbeperking gebleken. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellante bij het onderzoek door de verzekeringsarts geen psychische klachten heeft gemeld en vanaf 2005 niet meer onder behandeling staat vanwege psychische klachten. Ten aanzien van de vermoeidheidsklachten is door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 23 juli 2009 afdoende gemotiveerd dat de in hoger beroep overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft om het medisch oordeel te wijzigen. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierover gemeld dat de overgelegde medische informatie niet ziet op de datum in geding. De Raad kan zich hierin vinden. Appellante heeft in hoger beroep geen andere medische gegevens of argumenten naar voren gebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen.

4.3. Voor wat betreft de arbeidskundige component van het bestreden besluit kan de Raad zich eveneens verenigen met hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen in de aangevallen uitspraak. Ook de Raad is van oordeel dat het Uwv de passendheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante in voldoende mate heeft aangetoond.

4.4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM