Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
08-4308 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Naar aanleiding van het in beroep overgelegde rapport van PsyQ heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 2 juni 2008 gemotiveerd aangegeven dat deze informatie geen reden vormt om de FML te wijzigen. Appellante heeft in hoger beroep niet met medische gegevens onderbouwd dat haar beperkingen zijn onderschat. De enkele stelling van appellante dat haar gezondheidstoestand niet is verbeterd, biedt de Raad onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Voorts onderschrijft de Raad de beoordeling door de rechtbank van de arbeidskundige grondslag. Ook de Raad is van oordeel dat het Uwv de geschiktheid van appellante voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies afdoende heeft aangetoond. Met het Uwv heeft de Raad evenwel vastgesteld dat na het vervallen van de functie samensteller voldoende andere geschikte functies resteren, waaronder de functie van huishoudelijk medewerker (111334), en dat deze wijziging niet leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4308 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 11 juli 2008, 07/9205 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:Uwv).

Datum uitspraak: 25 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te ‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv bij brief van 24 juli 2009 een nadere toelichting verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2009. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, mr. Deen voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster, is op 9 maart 1995 uitgevallen wegens zwangerschapsklachten. Nadien heeft zij depressieve klachten gekregen. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 2 november 2006 door verzekeringsarts A. van Staden onderzocht, die in zijn rapport van dezelfde datum tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van psychische beperkingen, lichte lichamelijke beperkingen en dat een beperking voor werktijden is aangewezen. De verzekeringsarts heeft de beperkingen weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst van 2 november 2006. Daarna heeft de arbeidsdeskundige J.A. Zandbergen in zijn rapport van 26 januari 2007 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 1%. Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 30 maart 2007 ingetrokken.

1.3. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza appellante gezien tijdens een hoorzitting, informatie verkregen van de huisarts P.L. Koolen van 5 juni 2007 en een expertise laten verrichten door psychiater J. Groenendijk. In het opgestelde verslag van het psychiatrisch onderzoek van 6 juli 2007 heeft Groenendijk geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een dysthyme stoornis en borderline persoonlijkheidskenmerken. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 13 juli 2007 aangegeven dat uit de expertise blijkt dat bij appellante geen sprake is van een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld in engere zin, dat de door psychiater Groenendijk beschreven beperkingen volledig worden overgenomen en dat in verband hiermee de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen dienen te worden aangepast. De bezwaarverzekeringsarts heeft de gewijzigde beperkingen weergegeven in een FML van 13 juli 2007. Door de bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde is vervolgens vastgesteld dat op grond van de gewijzigde FML twee van de drie geduide functies vervallen. In zijn rapport van 6 augustus 2007 heeft hij vastgesteld dat de functies productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (111172), productiemedewerker (111180) en samensteller (264140) voor appellante geschikt zijn te achten. Het verlies aan verdienvermogen is berekend op 7,73%. Bij besluit van 30 oktober 2007, hierna het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van

29 januari 2007 gegrond verklaard en de datum van intrekking van appellantes

WAO-uitkering nader bepaald op 8 november 2007.

2.1. In beroep heeft appellante een rapport van PsyQ van 8 januari 2008 ingediend, waarop bezwaarverzekeringsarts Mirza in haar rapport van 2 juni 2008 heeft gereageerd.

2.2. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar lichamelijke en en psychische beperkingen zijn onderschat. Haar gezondheidstoestand is niet verbeterd. Op grond van haar beperkingen kunnen de geduide functies niet passend worden geacht.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts informatie van de behandelend huisarts en de uitkomsten van een psychiatrische expertise in haar oordeelsvorming heeft betrokken. Naar aanleiding van het in beroep overgelegde rapport van PsyQ heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 2 juni 2008 gemotiveerd aangegeven dat deze informatie geen reden vormt om de FML te wijzigen. Appellante heeft in hoger beroep niet met medische gegevens onderbouwd dat haar beperkingen zijn onderschat. De enkele stelling van appellante dat haar gezondheidstoestand niet is verbeterd, biedt de Raad onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen.

4.2. Voorts onderschrijft de Raad de beoordeling door de rechtbank van de arbeidskundige grondslag. Ook de Raad is van oordeel dat het Uwv de geschiktheid van appellante voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies afdoende heeft aangetoond. Met de op verzoek van de Raad verstrekte nadere toelichting in de brief van 24 juli 2009 is voldoende gemotiveerd dat in de functie productiemedewerker industrie geen overschrijding van de belastbaarheid voorkomt op het aspect persoonlijk risico (1.9.9). Ten aanzien van de functie samensteller is door het Uwv gemeld dat de geschiktheid van deze functie voor appellante, vanwege de daarin voorkomende belasting op het aspect persoonlijk risico niet nader kan worden toegelicht, zodat deze functie uit zorgvuldigheidsoverwegingen komt te vervallen. Met het Uwv heeft de Raad evenwel vastgesteld dat na het vervallen van de functie samensteller voldoende andere geschikte functies resteren, waaronder de functie van huishoudelijk medewerker (111334), en dat deze wijziging niet leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid.

4.3. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM