Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
28-09-2009
Zaaknummer
08-1483 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op grond van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst uit hoofde van een ziekte of een gebrek als bedoeld in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f van het AMAR. Eerste ziektedag. Onjuiste hersteldmelding. Herplaatsingsinspanningen?

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 39
Algemene wet bestuursrecht 8:78
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1483 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 januari 2008, 07/4692 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 17 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V. Dolderman, advocaat te Harderwijk. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.W.C. Naalden, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was aangesteld als beroepsmilitair voor onbepaalde tijd in de rang van sergeant eerste klasse en laatstelijk werkzaam in de functie van specialist wapentechniek. Vanaf 4 juli 2001 is appellant vanwege gezondheidsklachten uitgevallen voor deze functie.

1.2. Bij besluit van 8 april 2004 is aan appellant met ingang van 2 juli 2004 eervol ontslag verleend uit de militaire dienst op grond van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst uit hoofde van een ziekte of een gebrek als bedoeld in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).

1.3. Bij besluit van 22 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) zijn de tegen het besluit van 8 april 2004 gemaakte bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen. De staatssecretaris was gelet op de eerste ziektedag van appellant niet gehouden uitvoering te geven aan de in het gewijzigd artikel 94, eerste lid, van het AMAR neergelegde inspanningsverplichtingen, omdat de Wet verbetering poortwachter uitsluitend van toepassing is op diegenen die op of na 1 april 2002 ziek zijn geworden. Gelet op het feit dat appellant medisch ongeschikt is voor het verder vervullen van de militaire dienst, eist ook de zorgvuldigheid van de staatssecretaris geen herplaatsingsinspanningen. De verplichting tot een herplaatsingsonderzoek bij een reorganisatieontslag en een ongeschiktheidsontslag anders dan wegens ziekte of gebrek (neergelegd in artikel 43, eerste lid, van het AMAR) strekt zich immers ook alleen uit tot militaire functies. In de van toepassing zijnde regelgeving is verder niet geregeld dat de staatssecretaris eerst binnen of buiten de Defensieorganisatie moet onderzoeken of de dienstongeschikte militair in een passende burgerfunctie geplaatst kan worden. Ook uit de Nota Reïntegratie dienstongeschikte militairen van 29 december 1999 (hierna: Nota) vloeit niet voort dat eerst na volledige inzet van de in de Nota bedoelde re-integratie-inspanningen en instrumenten tot ontslag mag worden overgegaan. In de Nota is namelijk niet een beleidsregel neergelegd die daartoe verplicht.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de staatssecretaris voorafgaande aan het ontslagbesluit meer dan eens 2 juli 2002 als eerste ziektedag heeft aangemerkt. Hierdoor en door de daarop gevolgde pogingen appellant te re-integreren is bij appellant het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat uitvoering zou worden gegeven aan de artikelen 94 en 94a van het AMAR. Ook zijn er uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen gedaan die de verwachting hebben gewekt dat appellant zou worden gere-integreerd. Appellant heeft daarbij met name gewezen op de brief van 13 november 2002 van de commandant van de vliegbasis Volkel. Voorts heeft appellant betoogd dat de door de staatssecretaris verrichte re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn.

3.2. De staatssecretaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Appellant heeft zich afgevraagd of de aangevallen uitspraak in het openbaar is uitgesproken, zodat eventueel niet zou zijn voldaan aan artikel 8:78 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hetgeen gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de aangevallen uitspraak tot gevolg dient te hebben. De Raad volstaat ermee vast te stellen dat, nu de uitspraak vermeldt dat deze in het openbaar is uitgesproken op 24 januari 2008, ervan dient te worden uitgegaan dat dit zo is.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant uit hoofde van ziekte of gebrek medisch ongeschikt is bevonden voor het verder vervullen van de militaire dienst. Daarmee is de bevoegdheid van de staatssecretaris om appellant op grond van het bepaalde in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het AMAR te ontslaan gegeven. Evenals in eerste aanleg spitst het geschil in hoger beroep zich met name toe op beantwoording van de vraag of de staatssecretaris, gelet op de in de nota van toelichting bij het besluit van 15 april 2004 (Stb. 2004, 229) genoemde datum van ziek worden, te weten 1 april 2002, gehouden was uitvoering te geven aan de in artikel 94, eerste lid, van het AMAR, gegeven inspanningsverplichtingen.

4.3.1. Appellant betwist niet dat hij vanaf 4 juli 2001 is uitgevallen voor de functie van specialist wapentechniek en dat hij sindsdien medisch ongeschikt is gebleven voor het verrichten van deze betrekking. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de staatssecretaris voor de beantwoording van voornoemde vraag terecht bij de vaststelling van de eerste ziektedag van appellant aansluiting heeft gezocht bij de dag waarop appellant in de Ziektewet is terechtgekomen, te weten 4 juli 2001. Als eerste moment van de functieongeschiktheid van appellant is in de gedingstukken ook steeds naar die datum verwezen. Anders dan door appellant bepleit, acht de Raad niet van betekenis het feit dat in de Nota ter bepaling van de aanvang van de ontslagbeschermingstermijn wordt aangesloten bij het moment waarop de dienstongeschiktheid van de militair wordt vastgesteld. Ook de omstandigheid dat appellant in diverse stukken van de staatssecretaris per 2 juli 2002 dienstongeschikt is verklaard laat naar het oordeel van de Raad onverlet dat appellant vanaf 4 juli 2001 onafgebroken ongeschikt is gebleven voor de vervulling van de functie van specialist wapentechniek.

4.3.2. Niet in geschil is dat appellant met ingang van 28 mei 2002 werkzaamheden verrichtte in het kader van zijn re-integratie. De ten aanzien van appellant gedane hersteldmelding per 28 mei 2002 berust blijkens de brief van 23 september 2002 van de zijde van de staatssecretaris aan Uwv/USZO op een fout en is weer ongedaan gemaakt. De onjuiste hersteldmelding heeft overigens niet geleid tot gevolgen voor de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en kan om die reden evenmin tot een ander oordeel leiden.

4.3.3. Gezien het vorenoverwogene komt de Raad, evenals de rechtbank, tot de conclusie dat de staatssecretaris niet gehouden was uitvoering te geven aan de in artikel 94 van het AMAR genoemde verplichtingen.

4.4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat noch de regelgeving, noch de rechtspraak voor de staatssecretaris de verplichting scheppen om, voordat tot ontslag wordt overgegaan, een herplaatsingsonderzoek gericht op een nieuwe functie binnen of buiten de militaire organisatie in te stellen, dan wel in dit verband re-integratie-instrumenten in te zetten. De Raad is voorts met de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel dat in de Nota niet een beleidsregel is vervat die het ontslag op de gebezigde grond afhankelijk stelt van een voldoende omvang van daaraan voorafgaande re-integratie-activiteiten. Waar de staatsecretaris zich, zoals ter zitting ook nader is toegelicht, mede vanuit een oogpunt van goed werkgeverschap met het in de Nota neergelegde beleid ten doel heeft gesteld definitief dienstongeschikte militairen extern te re-integreren, kan de Raad evenwel niet op voorhand onderschrijven het oordeel van de rechtbank dat de vraag, of voldoende gebruik is gemaakt van het re-integratie-instrumentarium, voor de beoordeling van het ontslag geheel zonder betekenis is.

4.4.2. Nu evenwel niet in geschil is dat de staatsecretaris zich ten aanzien van appellant heeft ingespannen voor externe herplaatsing door aanmelding van appellant bij het re-integratiebureau Alexander Calder en appellant blijkens het verslag van het intakegesprek op 2 oktober 2003 zelf heeft aangegeven op dat moment medisch niet in staat te zijn tot het volgen van een traject dan wel tot deelname aan het arbeidsproces, ziet de Raad, mede in aanmerking genomen het feit dat de gezondheid van betrokkene sindsdien alleen maar verder achteruit is gegaan, hetgeen door betrokkene niet wordt betwist, geen aanleiding te concluderen dat de staatssecretaris zich onvoldoende heeft ingespannen om appellant te re-integreren.

4.4.3. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de in de brief van 13 november 2002 gehanteerde bewoordingen zijn aan te merken als een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van het bevoegde gezag, waaraan appellant de verwachting mocht ontlenen dat hij zou worden gere-integreerd. Die bewoordingen moeten worden bezien tegen de achtergrond van de voornoemde vanuit een oogpunt van goed werkgeverschap door de staatssecretaris voorgenomen doelstelling en behelzen naar het oordeel van de Raad dan ook niet meer dan de mededeling dat de staatssecretaris zich zal inspannen om appellant te re-integreren.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) I. Mos.

HD