Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
28-09-2009
Zaaknummer
08-1446 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhouding bezoldiging over de niet gewerkte uren en disciplinaire straf opgelegd van vermindering van twee verlofdagen. Grondslag: ontoelaatbare staking en ten onrechte werkzaamheden niet direct hervat na door de bedrijfsarts arbeidsgeschikt te zijn verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1446 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2008, 07/740 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland als rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 17 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2009. Namens appellant is verschenen mr. M.A. van Hoogeveen, werkzaam bij ABVAKABO FNV. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Wit, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en drs. D.G.L. Kransen, werkzaam bij de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland.

II. OVERWEGINGEN

1. Hierna wordt onder het dagelijks bestuur mede verstaan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant, werkzaam binnen de uitrukdienst van de Regionale brandweer Amsterdam en omstreken, heeft zich op 6 december 2005 ziek gemeld wegens liesklachten. Op dezelfde dag is appellant bezocht door een controleur en een bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft appellant geschikt geacht voor zijn werkzaamheden. Appellant heeft zijn werkzaamheden niet direct hervat. Op 11 december 2005 heeft hij zich hersteld gemeld.

2.2. Bij besluit van 13 maart 2006 heeft het dagelijks bestuur de bezoldiging ingehouden over de door appellant op 6 december 2005 niet gewerkte uren en hem een disciplinaire straf opgelegd, inhoudende vermindering van twee verlofdagen. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat op 6 december 2005 bij de brandweerorganisatie sprake was van massale ziekmeldingen die onder de gegeven omstandigheden als een ontoelaatbare staking moeten worden gezien en dat appellant heeft deelgenomen aan deze actie. Verder is aangegeven dat appellant ten onrechte zijn werkzaamheden niet direct heeft hervat nadat hij door de bedrijfsarts arbeidsgeschikt was verklaard.

2.3. Bij besluit van 19 december 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 maart 2006 ongegrond verklaard. Hierbij is het laatstgenoemde besluit in zoverre aangevuld dat het aantal uren waarover bezoldiging is ingehouden, op zes is gesteld.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank was vanaf het moment dat appellant door de bedrijfsarts hersteld was verklaard sprake van arbeidsverzuim als bedoeld in artikel 453, eerste lid, van het Ambtenaren Reglement Amsterdam (ARA) en kon het dagelijks bestuur met toepassing van deze bepaling bezoldiging inhouden over de niet gewerkte uren. Verder was de rechtbank van oordeel dat sprake is van plichtsverzuim en dat de opgelegde disciplinaire straf niet onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de bedrijfsarts hem tijdens de controle op 6 december 2005 niet heeft meegedeeld dat hij arbeidsgeschikt werd bevonden. Hierbij wijst de Raad op de door de bedrijfsarts over dit bezoek opgestelde verklaring, waarin is vermeld dat appellant mondeling arbeidsgeschikt is verklaard. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om de juistheid van deze verklaring in twijfel te trekken.

4.2. Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte arbeidsgeschikt is geacht. Hierbij heeft hij verwezen naar een brief van zijn behandelend chirurg van 22 februari 2008, waarin onder meer is vermeld dat appellant op 7 december 2005 een injectie is gegeven ter bestrijding van pijnklachten. De Raad is van oordeel dat uit deze verklaring niet kan worden afgeleid dat appellant op 6 december 2005 (volledig) arbeidsongeschikt was. In dit verband wijst de Raad erop dat de chirurg ook heeft vermeld dat appellant in staat moest worden geacht om kantoorwerkzaamheden uit te voeren. Naar het oordeel van de Raad had appellant zich, afgaande op deze verklaring, op zijn minst beperkt inzetbaar moeten melden. Daarnaast wijst de Raad erop dat appellant de mogelijkheid heeft gehad om, naar aanleiding van het oordeel van de bedrijfsarts, een deskundigenoordeel over zijn arbeidsongeschiktheid aan te vragen, maar dat hij dit heeft nagelaten.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het dagelijks bestuur mocht overgaan tot inhouding van bezoldiging met toepassing van artikel 453, eerste lid, van het ARA. Verder is de Raad tot de conclusie gekomen dat appellant, door na de hersteldverklaring door de bedrijfsarts zijn werkzaamheden direct niet te hervatten, plichtsverzuim heeft gepleegd. De Raad acht de opgelegde straf van vermindering van twee verlofdagen niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim, mede in aanmerking genomen dat de gedraging plaatsvond op een moment dat sprake was van massale ziekmeldingen binnen de uitrukdienst.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD