Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
28-09-2009
Zaaknummer
07-3632 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op andere gronden. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen dient bij de beoordeling of sprake is van een situatie waarin aanleiding kan zijn voor ontslag op andere gronden niet het tijdstip van het nemen van de beslissing op bezwaar als peilmoment te worden genomen, maar is de datum van beëindiging van het dienstverband het uitgangspunt. De Korpsbeheerder wenste niet langer aan de risico’s van de privéomstandigheden van betrokkene te worden blootgesteld en is van opvatting dat de opstelling van betrokkene te veel vragen oproept over betrouwbaarheid en integriteit om nog langer van een vruchtbare samenwerking te kunnen spreken. De Raad is op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat dit standpunt van appellant op voldoende feitelijke grondslag berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3632 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg Zuid (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 juni 2007, 06/482 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 3 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.W. Steuten, advocaat te ’s-Hertogenbosch. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als hoofdagent basispolitiezorg bij de politieregio Limburg Zuid. Met ingang van 2 oktober 2003 is betrokkene buiten functie gesteld en is hem de toegang tot de dienst ontzegd in afwachting van de uitkomst van een intern onderzoek, dat is ingesteld naar aanleiding van een tegen betrokkene ingediende klacht. Tegen dat besluit heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Uit dit onderzoek, dat is afgerond in december 2003, is naar voren gekomen dat in de periode van september 2003 tot en met november 2003 door de echtgenote van betrokkene meerdere aangiften zijn gedaan ter zake van onder meer mishandeling, verkrachting, bedreiging met de dood, brandstichting en vernieling. Voorts is gebleken dat betrokkene in september 2003 de bedrijfsinformatiesystemen (X-pol) heeft geraadpleegd voor andere dan functiegerelateerde doeleinden. Tevens is gebleken dat betrokkene in de nacht van 18 op 19 september 2003 twee collega’s heeft verzocht te verifiëren of zijn echtgenote zich in de woning van K bevond, aan welk verzoek die collega’s hebben voldaan. Ten slotte hebben tussen 17 juni 2003 en 23 december 2003 diverse politie-interventies plaatsgevonden op het woonadres van betrokkene.

1.3. In de periode van februari 2004 tot en met september 2004 zijn vele aangiften gedaan door zowel betrokkene als zijn - sedert april 2004 - ex-echtgenote, en zijn meldingen en aanhoudingen gedaan ter zake van onder meer bedreiging, mishandeling, seksueel misbruik, stalking, huiselijke twist en diefstal. Dit alles heeft opnieuw regelmatig tot interventie door de politie geleid. Op 30 augustus 2004 is aan betrokkene meegedeeld dat deze gang van zaken een onaanvaardbare druk op de werklast van de politieregio legde, reden waarom betrokkene en zijn ex-echtgenote alleen nog maar aangifte zouden mogen doen van strafbare feiten. Daarna zijn nog verscheidene aangiften gedaan, onder meer ter zake van diefstal, chantage, afpersing, stalking, bedreiging en huiselijke terreur.

1.4. Nadat daartoe op 31 mei 2005 het voornemen was geuit, is bij besluit van 30 juni 2005 aan betrokkene eervol ontslag verleend, primair wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken en subsidiair “op andere gronden”. Na bezwaar heeft appellant bij besluit van 10 februari 2006 het ontslag uitsluitend op de subsidiaire grond gehandhaafd en het ontslag op de primaire grond herroepen. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 95, tweede en derde lid, aanhef en onder d, van het Besluit algemene rechtspositie politie wat betreft de ontslaguitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 30 juni 2005 ook voor wat betreft het ontslag op andere gronden herroepen. De rechtbank heeft daarbij vooropgesteld dat de vraag of de verhoudingen zodanig ernstig verstoord zijn dat in redelijkheid tot het ontslag kon worden besloten, dient te geschieden aan de hand van de situatie zoals deze was ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar. Bij het oordeel over de ernst en de eventuele herstelbaarheid van de verstoring in de verhoudingen mag, aldus de rechtbank, ook worden betrokken de verdere ontwikkeling van die verhoudingen, zoals die zich na het nemen van het primaire besluit blijkt te hebben voorgedaan. De rechtbank achtte de gestelde vertrouwensbreuk noch de onverenigbaarheid van karakters voldoende geobjectiveerd, waarbij is betrokken dat de incidenten zich na januari 2005 niet meer hebben voorgedaan.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen dient bij de beoordeling of sprake is van een situatie waarin aanleiding kan zijn voor ontslag op andere gronden niet het tijdstip van het nemen van de beslissing op bezwaar als peilmoment te worden genomen, maar is de datum van beëindiging van het dienstverband het uitgangspunt. Weliswaar kan in het kader van de heroverweging acht geslagen worden op tijdens de bezwaarschriftenprocedure naar voren gekomen feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de situatie voorafgaand aan en ten tijde van de onslagverlening, maar de ontwikkeling van de verhoudingen na ontslag kan bij de vraag naar de houdbaarheid van dat ontslag geen rol spelen. De Raad stelt vast dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd.

3.2. Aan het ontslag, zoals dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, heeft appellant ten grondslag gelegd dat de privéproblemen van betrokkene en meer in het bijzonder de opstelling en houding van betrokkene en zijn (ex) echtgenote daarin, tot langdurige en regelmatige ongewenste aandacht van en interventie door de politie hebben geleid, waardoor collega’s van betrokkene in loyaliteitsconflict konden belanden en de onderlinge verhoudingen onder druk konden komen te staan. Door het instandhouden van een kennelijk destructieve relatie heeft betrokkene zich in een positie geplaatst waarin hij telkenmale in opspraak kwam en waardoor hij zichzelf en het korps vatbaar maakte voor kritiek. Appellant wenste niet langer aan de risico’s van de privéomstandigheden van betrokkene te worden blootgesteld en is van opvatting dat de opstelling van betrokkene te veel vragen oproept over betrouwbaarheid en integriteit om nog langer van een vruchtbare samenwerking te kunnen spreken.

3.3. De Raad is op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat dit standpunt van appellant op voldoende feitelijke grondslag berust. De Raad ziet er daarbij niet aan voorbij dat betrokkene, als door hem gesteld vanwege zijn relatie en huwelijk met iemand met aanzienlijke psychische dan wel psychiatrische problemen (gesproken is over borderline persoonlijkheidsstoornis), zich in een moeilijke persoonlijke situatie bevond. Dit neemt echter niet weg dat moet worden vastgesteld dat het korps gedurende een ruime periode werd geconfronteerd met de gevolgen van die persoonlijke situatie op een wijze en in een omvang die met recht onaanvaardbaar kan worden genoemd. Daarbij gaat het niet alleen om het onevenredige tijdsbeslag dat op de organisatie werd gelegd door betrokkene en zijn partner, maar ook om de pogingen van betrokkene zijn collega’s in de conflicten te betrekken, bijvoorbeeld door het doen van tegenaangiften en door verzoeken te interveniëren. Van betrokkene mocht, zeker nadat daarop bij hem was aangedrongen na zijn buitenfunctiestelling, worden verwacht dat hij maatregelen zou treffen teneinde zijn werkgever te vrijwaren van voortdurende confrontaties met zijn persoonlijke problemen. Betrokkene heeft aan die verwachting niet kunnen voldoen. Zijn keuze om ook na echtscheiding weer bij zijn partner terug te keren, waardoor de oude problemen herleefden, heeft daaraan ook niet bijgedragen. Door te rekenen op blijvend begrip van zijn werkgever heeft betrokkene een foute inschatting gemaakt. Van appellant kon voortzetting van het dienstverband onder die omstandigheden dan ook niet worden gevergd.

3.4. Hieruit volgt dat appellant bevoegd was betrokkene op de gebruikte grond ontslag te verlenen. De Raad is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat appellant onder afweging van de betrokken belangen van die bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken. Daarbij heeft de Raad betrokken dat weliswaar - achteraf - geconstateerd kan worden dat met het vertrek van de ex-echtgenote naar Polen in januari 2005 een einde is gekomen aan de incidenten, en dat het ontslag eerst een half jaar nadien is verleend, maar appellant heeft er terecht op gewezen dat zich eerder perioden van relatieve rust hadden voorgedaan en dat ten tijde van de ontslagverlening allerminst duidelijk was dat die rust definitief was weergekeerd. Betrokkene heeft zich in die periode, gedurende welke de salarisbetaling nog steeds werd voortgezet, ook niet tot appellant gewend met het verzoek een einde te maken aan de buitenfunctiestelling, maar heeft in de bestaande situatie berust.

4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 10 februari 2006 ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 februari 2006 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2009.

(get.) J.G.Treffers.

(get.) M. Lammerse.

HD

Q