Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8613

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
28-09-2009
Zaaknummer
09/467 WWB + 09/468 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Op grond van de duidelijke bewoordingen van die uitspraak, stelt de Raad vast dat de rechtbank de beroepsgronden met betrekking tot het niet meer wonen van appellanten in B. in de periode van 1 januari 2003 tot en met 25 maart 2004 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Daartegen hadden appellanten - als zij het met dit oordeel niet eens waren - hoger beroep moeten instellen. Daarbij merkt de Raad op dat de rechtbank aan het slot van die uitspraak erop heeft gewezen dat als zij gronden van het beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en de belanghebbenden daarin niet willen berusten, hoger beroep moet worden ingesteld. De omstandigheid dat appellanten, zoals zij hebben aangevoerd, gelet op de vernietiging van het besluit van 8 september 2006 en de opdracht aan het College een nieuw besluit op bezwaar te nemen zich niet bewust waren dat zij hoger beroep hadden moeten instellen en dat zij daarover niet zijn geïnformeerd door hun toenmalige advocaat, kan daaraan niet afdoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/467 WWB

09/468 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant 1] en [Appellant 2], beide wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2008, 08/591 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2009. Appellanten zijn verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben in de periode van 30 juni 1997 tot en met 25 maart 2004 bijstand ontvangen, berekend naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een binnengekomen fraudesignaal is onderzoek verricht.

De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport van sociaal rechercheur R. Droogers van 13 september 2004, waarin de conclusie is getrokken dat appellanten in de periode van 1 december 2002 tot en met 25 maart 2004 woonachtig waren in [plaatsnaam A] en niet meer in [plaatsnaam B]. Bij besluit van 11 juli 2005, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 8 september 2006, heeft het College de bijstand over de periode van 1 december 2002 tot en met 25 maart 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 22.469,68 bruto van appellanten teruggevorderd.

1.3. Bij uitspraak van 27 november 2007, 06/4204, heeft de rechtbank Rotterdam het

beroep van appellanten tegen het besluit van 8 september 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College, met inachtneming van haar uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar neemt. Partijen hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep aangetekend.

1.4. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het College bij besluit van 4 januari 2008 het bezwaar van appellanten in zoverre gegrond verklaard dat de intrekking en terugvordering van bijstand over de maand december 2002 komt te vervallen. Het College handhaaft de intrekking van bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 25 maart 2004 en vordert de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.091,37 bruto van appellanten terug.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 januari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Appellanten betwisten dat zij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 25 maart 2004 in [plaatsnaam A] hebben gewoond.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad heeft reeds eerder overwogen dat bij een integrale vernietiging van een besluit door de rechtbank de uitspraak kracht van gewijsde verkrijgt ten aanzien van uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden als geen hoger beroep wordt ingesteld (zie onder meer de uitspraak van 15 mei 2007, LJN BA6885). De Raad moet dan ook bij de beoordeling van het ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank genomen nieuwe besluit zonder meer uitgaan van de juistheid van het door de rechtbank gegeven oordeel over deze beroepsgronden.

4.2. De Raad stelt vast dat de rechtbank in de uitspraak van 27 november 2007 heeft geoordeeld dat weliswaar vast staat dat appellanten in december 2002 in de woning in [plaatsnaam A] woonden, maar dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat zij al vanaf 1 december 2002 daar woonden. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat vast staat dat appellanten vanaf 1 januari 2003 niet meer in [plaatsnaam B], maar in [plaatsnaam A] woonden en dat de intrekking en terugvordering van bijstand vanaf die datum dienen plaats te vinden. Op grond van de duidelijke bewoordingen van die uitspraak, stelt de Raad vast dat de rechtbank de beroepsgronden met betrekking tot het niet meer wonen van appellanten in [plaatsnaam B] in de periode van 1 januari 2003 tot en met 25 maart 2004 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Daartegen hadden appellanten - als zij het met dit oordeel niet eens waren - hoger beroep moeten instellen. Daarbij merkt de Raad op dat de rechtbank aan het slot van die uitspraak erop heeft gewezen dat als zij gronden van het beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en de belanghebbenden daarin niet willen berusten, hoger beroep moet worden ingesteld. De omstandigheid dat appellanten, zoals zij hebben aangevoerd, gelet op de vernietiging van het besluit van 8 september 2006 en de opdracht aan het College een nieuw besluit op bezwaar te nemen zich niet bewust waren dat zij hoger beroep hadden moeten instellen en dat zij daarover niet zijn geïnformeerd door hun toenmalige advocaat, kan daaraan niet afdoen.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2009.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) M. Pijper.

RB